Sociale hervormingen - pagina 327
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
383
moet het, wat betreft arbeiders, welke niet bij den werkgever inwonen, met afwijking in zooverre van bovenstaande bepalingen, worden uitbetaald ten minste eenmaal in de veertien dagen. Artikel 1638 m. De uitbetaling van het in geld doch niet naar tijdruimte vastgesteld loon, zal geschieden volgens de bepalin-
gen van het voorgaande artikel, met dien verstande, dat dit loon geacht zal worden te zijn vastgesteld bij de tijdruimte, waarbij het loon gewoonlijk wordt vastgesteld voor den arbeid, welke ten aanzien van aard, plaats en tijd het meest nabijkomt aan den arbeid, waarvoor het loon verschuldigd is. De laatste twee leden van het vorige artikel zijn daarbij van toepassing. Artikel 1638 n. Voor zoovere het in geld vastgesteld loon in een bedrag, dat afhankelijk is gesteld van eenig gegeven, dat uit des werkgevers boekhouding moet kunnen blijken, zal de uitbetaling geschieden telkens wanneer het bedrag van dat loon kan worden vastgesteld, met dien verstande, dat de uitbetaling ten minste eenmaal per jaar zal geschieden. bestaat
Artikel 1638
o.
Indien het loon in geld voor een gedeelte naar
tijdruimte voor een ander gedeelte op andere wijze, of wel, indien het loon naar meerdere verschillende tijdruimten, is vastgesteld, zullen voor ieder dier gedeelten de voorschriften der artikelen 1638 / tot en met 1638 n van toepassing zijn.
Artikel 1638 p. Bij iedere uitbetaling zal het geheele verschuldigde bedrag worden voldaan. Echter kan ten aanzien van het in geld, doch af hankelijk van de uitkomsten van den te verrichten arbeid, vastgesteld loon bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement worden bedongen, dat telkens, behoudens definitieve afrekening, zoodra daartoe de mogelijkheid zal bestaan, zal worden uitbetaald een zeker gedeelte van het loon, bedragende ten minste drie vierden van het gebruikelijk naar tijdruimte vastgesteld loon voor den wat aard, plaats en tijd betreft meest nabijkomenden arbeid. Artikel 1638 q. Voor zooverre het in geld vastgesteld loon, of het gedeelte daarvan, dat overblijft na aftrek van hetgeen door den werkgever niet behoeft te worden uitbetaald, en na aftrek van hetgeen, waarop derden rechten kunnen doen gelden, door schuld van de zijde des werkgevers niet wordt uitbetaald uiterlijk den vierden werkdag na dien, ingevolge de artikelen 1638 /, en 16381? als dag van betaling vastgesteld, heeft de 1638 arbeider aanspraak op eene verhooging wegens de vertraging, welke voor den vijfden tot en met den achtsten werkdag bedraagt vijf ten honderd, per dag en voor eiken volgenden werkdag een ten honderd, met dien verstande, dat de verhooging wegens
m
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's