Sociale hervormingen - pagina 43
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
33
Nederland staat
in dit opzicht niet alleen. Gelijk in Frankrijk ontbreekt overal, waar, zooals hier, de Fransche Code Civil den grondslag der burgerlijke wetgeving uitmaakt, eene algemeene regeling van het arbeidscontract (art. 1780 Code civil francais; art. 1780 Code civil beige ; art. 1628 Codice civile italianó). Slechts in zooverre komt Nederland ook onder deze landen achteraan, als elders reeds vroegere partieële verbeteringen van meer of minder wijde strekking zijn tot stand gebracht. Zoo bezit België sinds 1900 eene regeling van de arbeidsovereenkomst, voorzoover zij door ouvriers wordt gesloten (wet van 10 Maart 1900) 1). In 1896 heeft België bovendien reeds arbeidsreglementen voor bepaalde soorten van ondernemingen verplicht gesteld en hun inhoud, totstandkoming en bindende kracht geregeld (wet van 15 Juni 1896). Frankrijk zat ook niet stil. Eene wet van 9 April 1898 regelde voor tal van bedrijven op een grondslag, geheel afwijkende van dien der artt. 1382 1384 C. C. (== artt. 1401 1403 B. W.), de aansprakelijkheid van patroons voor ongevallen aan arbeiders en ondergeschikten overkomen. Daarnaast staan dan nog maatregelen van minder verre strekking, zooals de gedeeltelijke uitsluiting van beslag op arbeidsloon en van overdracht daarvan (Belgische wet van 18 Juni 1887; Fransche wet van 12 Januari 1895) en de afschaffing van art. 1781 C. C, eene bepaling van dezelfde soort als ons art. 1638 B. W. (Fransche wet van 2 Augustus 1868; Belgische wet van 10 Juli 1883). Voorzoover dienstboden en werklieden betreft, beproefde ten slotte eene Fransche wet van 27 December 1890. door eene aanvulling van art. 1780 C. C, de moeilijke kwestie op te lossen, hoe de opzegging van zonder tijdsbeperking aangeganen dienst het best geregeld wordt. 2) Duitschland bezit sinds 1 Januari 1900 voorschriften omtrent het arbeidscontract in het algemeen. (§§ 611 630 Duitsch B. W.) Eene wet van 21 Juni 1869, gewijzigd 27 Maart 1897, beperkt verder de overdracht van en het beslag op Arbeits- oder Dienstlohn. Bij deze meer algemeene regelingen sluiten zich de speciale bepalingen van het Handelswetboek aan omtrent de Handlungsgehülfen und Handlungslehrlinge (§§ 59 83, 88, 91 H. G. B. van 10 Mei 1897), bevens de privaatrechtelijke voorschriften van de Gewerbeordnung (Titel VII Gew. O., 26 Juli 1900). De Seemannsordnung van 2 Juni 1902 (gew. 23 Maart 1903) regelt de rechtspositie van schepelingen. Ten slotte zijn door art. 95 van de Invoeringswet op het Duitsche Burgerlijk Wetboek de Gesindeordnungen instand gehouden, die in verschillende Duitsche Stazelf,
—
—
—
—
1)
Van
ruimer strekking
zijn
de
artt.
29
gehuwde vrouwen en minderjarigen, zich De wet telt in het geheel 43 artikelen. 2)
II-
Vgl.
— 40,
handelend over de bevoegdheid van van arbeid te verbinden.
tot het verrichten
DRUCKER, Rechtsgeleerd Magazijn, 1897,
Dl.
XVI.
bladz.
80
en> vlg.
3
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's