Sociale hervormingen - pagina 348
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
336 bruik te waken, dient hier, meenden sommige leden, een scherpe het woord „plegen" toch kan reeds lijn te worden getrokken: tot verschil van opvatting leiden, maar „niet plegen" laat ruimte tot zéér uiteen
loopende meeningen.
Art. 12. De aan art. 4 der Ongevallenwet 1901 ontleende omschrijving van het woord „kracht werktuig" vond geen algemeene instemming. Zooals die omschrijving luidt, scheen het noodig er eene definitie van „arbeidswerktuig" aan toe te voegen, want het verschil tusschen beide woorden is niet duidelijk. Zal b.v. een werktuig om electrische kracht op te wekken, dat dus niet bestemd is tot het drijven van een of meer arbeidswerktuigen als derhalve geen krachtwerktuig in den zin der wet is een arbeidswerktuig zijn te beschouwen? Juist ook het woord „bestemd" scheen aan de definitie eene te zeer beperkte strekking te geven.
—
—
,
Art. 13. Sommige leden meenden, dat de in dit artikel voorkomende opsomming van „ovens" in den zin der wet voor de praktijk niet zonder nut zal zijn. Anderen vreesden juist het tegendeel; legislatief
Art.
hun scheen die reeks voorbeelden oogpunt verwerpelijk.
14.
a.
een technisch-
uit
Deze uitzondering ontmoette van verschillende
zijden ernstige bedenking. In de eerste plaats scheen zij niet duidelijk. Ziet de uitdrukking „uitsluitend voor onmiddellijk verbruik" op den tijd of op de plaats van het verbruik? Uit de toelichting blijkt, dat het men merkte laatste bedoeld is, doch de wet zegt het niet daarom op, dat inlassching van de woorden „ter plaatse zelf" ;
niet
overbodig
is.
het feit, dat door deze bepaling de logement- en restaurantbedrijven, voor zoover daaraan niet het uitzenden van diners verbonden is, aan de werking der
Het tweede bezwaar gold
kofiiehuis-,
onttrokken, In die bedrijven komen ernstige mishet werd daarom betreurd, dat het daarbij werkzame personeel onbeschermd wordt gelaten althans de arbeidsduur per etmaal behoort, naar veler oordeel, aan een maximum te worden gebonden. Het weinige dat in de Memorie van Toelichting ter verklaring van deze onthouding voorkomt scheen niet zeer afdoende. Dat eene regeling van de materie geenszins onmogelijk is, wordt, meende men, bewezen door de op grond van § 120^, derde lid, der Gewerbeordnung in 1902 door den Duitschen Bondsraad vastgestelde verordening betreffende de „Beschaftigung von Gehülfen und Lehrlingen in Gast- und in Schankwirthschaften" alsmede door de uitvoerige bepalingen welke op dit stuk in verschillende Zwitsersche kantons zijn uitgevaardigd.
wet worden standen
voor en
;
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's