Sociale hervormingen - pagina 226
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
2l6 beslag de uitbetaling niet schorsen zou vóór het van waarde verklaard was, maar ook met die beperking zou het geen aanbeveling verdienen conservatoir beslag toe te laten. De sommen, die de scliuldeischers van de rentetrekkers te vorderen hebben, zullen in den regel de competentie van den kantonrechter niet te boven gaan de schuldeischer zal dus, na een vonnis van den kanto7irechter verkregen te hebben, executoriaal beslag op de Bank leggen. Werd conservatoir beslag toegelaten, dan zou de vordering tot van waardeverklaring van het beslag altijd voor de rechtbank gebracht moeten worden, waardoor de kosten aanmerkelijk hooger zouden worden. Onder het laatste lid vallen alle uitkeeringen; zie art. 36 en ;
art.
66,
tweede
lid.
Art. 8g. Wordt aan een verzekerde, in het genot van een ongevallenrente van 200 gulden, een onderdomsrente van 150 gulden toegekend, dan wordt de helft van de ouderdomsrente ingehouden. De verzekerde geniet dus 200 gulden ongevallenrente en 75 gulden ouderdomsrente, zoodat op de ouderdomsrente tot een bedrag van 15 gulden per jaar beslag zou mogen worden gelegd. Het beslag zou gesteld dat dergelijk beslag gelegd werd in dat geval moeten vermelden, dat op de ouderdomsrente, tot een bedrag van 60 gulden 's jaars, geen beslag gelegd wordt; door het beslag wordt dan getroffen, hetgeen wegens ouderdomsrente boven 60 gulden 's jaars zoude worden uitgekeerd. Op het beslag zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing, voor zoover daarvan
—
—
niet
afgeweken
is.
De
schuldeischer kan te allen tijde executoriaal beslag leggen op een invaliditeits- of ouderdomsrente, beneden het bedrag van 260 gulden, zoodra hij beweert dat de rentetrekker in het genot is van een andere vaste uitkeering, welke niet of voor een gedeelte niet vatbaar is voor beslag of korting. Dat het niet ieder schuldeischer mag vrijstaan, zonder eenig bewijs van de juistheid zijner bewering, de rente tot een bedrag van 260 gulden per jaar niet te doen uitbetalen, behoeft geen betoog. Overwogen is beslag op een rente van niet hooger dan 260 gulden 's jaars en, is de rente hooger, beslag op de eerste 260 gulden niet toe te laten zonder verlof van den rechter. Daaraan zijn echter bezwaren verbonden. De rentetrekker zou door den rechter moeten worden gehoord en, werd het verlof geweigerd, dan zou hooger beroep moeten toegelaten zijn. Het rechterlijk verlof zou niet de strekking hebben om den schuldeischer het nemen van een middel tot bewaring van zijn recht toe te staan, maar zou de onmisbare voorwaarde zijn tot het verhalen van zijn vordering op het bedrag der rente, voor zoover dat bedrag de som van 260 gulden niet overschrijdt.
De
regeling
in
het
derde
lid
voorgesteld
verdient naar de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's