Sociale hervormingen - pagina 74
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
64 verzekeringsplicht onttrokken te worden. Hij, die in staat is zelf voor zijn toekomst te zorgen, houdt niet op daartoe verplicht te zijn, omdat hij verwanten heeft, die hem eventueel voor gebrek zullen bewaren, vooral niet waar in den regel veilig aangenomen kan worden, dat het verleenen van ondersteuning door die verwanten niet dan met groote opoffering kan geschieden.
Met de Staatscommissie
(i) zijn ondergeteekenden daarom van navolging van de Duitsche wet slechts de arbeiders in engeren zin aan den verzekeringsplicht behooren te worden onderworpen. In de Staatscommissie werd er echter terecht op gewezen dat er onder hen, die hun loopbaan aanvangen met werkzaam te zijn tegen loon van minder dan looo gulden per jaar, (2) eenigen zijn voor wie die werkzaamheden slechts een voorbereiding zijn tot hooger bezoldigde betrekkingen, zoodat het, op het tijdstip waarop zij verzekeringsplichtig worden, vast staat, dat zij, in den gewonen loop van zaken, na weinig jaren niet meer onder het eerste lid van art. 1 zullen vallen. Dergelijke personen gedurende eenige jaren aan den verzekeringsplicht te onderwerpen, indien zij dit niet verlangen, is niet wenschelijk. Een bepaling, welke hen uitsluit van den verzekeringsplicht, zou echter in het stelsel van het ontwerp niet passen in beginsel is het vooruitzicht op een hooge bezoldiging geen reden om den werkman niet aan de verplichte verzekering te onderwerpen. Practisch zou dergelijke bepaling ook groote moei-
oordeel,
dat
niet
in
lijkheden opleveren. Zij, die belast zullen worden met het onderzoek of een werkman verzekeringsplichtig is, zullen ambtshalve moeten onderzoeken of er een reden van uitsluiting bestaat: een dergelijk onderzoek, naar de vooruitzichten van alle personen op handelskantoren, enz. werkzaam, ware niet wel mogelijk. Het ligt daarom in de bedoeling in de regeling, bedoelt in litt. c van art. 138, aan dergelijke personen het recht op ontheffing van den verzekeringsplicht te geven. Alleen zij die, zoodra zij verzekeringsplichtig worden, het vooruitzicht hebben, dat zij, na weinige jaren een loon van meer dan 1000 gulden per jaar zullen genieten en blijven genieten, zullen tijdelijk ontheven woorden, mits zij het verzoek daartoe doen, alvorens tot de verzekering te zijn toegetreden. Verstrijkt de termijn waarvoor de ontheffing is verleend of verlengd, dan zal één van beide het geval zijn: óf zij vallen niet langer onder het eerste lid van art. en hebben dan geen behoefte aan verdere ontheffing, omdat zij niet verzekeringsplichtig zijn, óf zij zijn nog steeds werkzaam tegen loon van niet meer dan 1000 gulden per jaar en zullen dan verzekerd worden. i
(i) Ibid. (2j
De
volontairs, die geen loon genieten, vallen niet
onder
art.
i.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's