Sociale hervormingen - pagina 566
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
Ó22
anderen hoofde aan anderen toekomende bevoegdheid alleen toegang hebben de agenten der Rijks verzekeringsbank. De veld- en boschwachters, de beambten der marechaussee, niet zijnde hulp-officieren van justitie en de ambtenaren van Rijksen gemeentepolitie beneden den rang van inspecteur der Rijksveldwacht en van commissaris van politie behoeven, voor zoover hun de toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat, een schriftelijken bijzonderen last van den burgemeester of van den kanton-
uit
rechter.
Wordt aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met inroeping van den sterken arm. In plaatsen, in het derde lid bedoeld, welke tevens woningen zijn of alleen door eene woning toegankelijk zijn, treden zij tegen den wil van den bewoner niet binnen dan op vertoon van een schriftelijken bij zonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt en binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengene, in wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.
Artikel
1 1
o.
De leden van het bestuur der Rijksverzekeringsbank en hunne plaatsvervangers, de leden en plaatsvervangende leden der commissiën van aanslag, de leden en de secretaris van den Raad van toezicht, bedoeld in artikel 18 der Ongevallenwet 1901, benevens alle personen in dienst der bank zijn verplicht tot geheimhouding van al hetgeen zij in hunne hoedanigheid vernemen, voor zoover dit niet in strijd is met de bepalingen van deze of van eene andere wet. Het bepaalde in het vorige lid is eveneens van toepassing op den secretaris, bedoeld in artikel 35. De in artikel 109 bedoelde ambtenaren zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens dat artikel binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen van deze of van eene andere wet. Artikel
1 1 1
Hij, die opzettelijk de bij het vorige artikel opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden óf geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden. Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van het hoofd of den bestuurder van de onderneming.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's