Sociale hervormingen - pagina 472
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
460 terwijl 10 uren het maximum is. Naar men meende, moet het antwoord op deze vraag luiden, dat in dat geval geen van de twee patroons strafbaar zal zijn strafbaarheid van den patroon mocht, meende men verder, in zoodanig geval ook niet worden aangenomen, tenzij het vaststaat, dat hij met de werkzaamheid van den betrokken arbeider in of ten behoeve van het bedrijf van den anderen patroon bekend was. ;
Art. 392. Tegen deze bepaling bestond bij een groot aantal leden bezwaar. Men erkende, dat het door de Regeering in de Memorie van Toelichting bedoelde geval van wetsontduiking behoort te worden voorkomen, doch men was van oordeel, dat de bepaling eenige wijziging behoeft. Eenige leden, voorstanders van den Midden-Europeeschen tijd, meenden, dat ook de bevoegdheid om dezen tijd te volgen moest worden gegeven. Anderen zouden aan den plaatselijke tijd, weer anderen aan den West-Europeeschen de voorkeur geven. Ook werd opgemerkt, dat, indien men voor sommige ondernemingen afwijkingen van den algemeenen regel wenscht toe te laten, die ondernemingen met name in de wet moeten worden genoemd en het niet aan lederen patroon mag vrijstaan den tijd te volgen welke hem goeddunkt. Het verschil van tijd zal anders tot moeilijkheden aanleiding kunnen geven, aangezien de politie daardoor licht in verwarring zal worden gebracht. Verscheidene leden betoogden hiertegenover, dat nu door de Regeering een wettelijke regeling van den tijd, waarop reeds zoo lang is aangedrongen, in uitzicht is gesteld, een incidenteele beslissing behoort te worden vermeden. Tevens moet worden voorkomen, dat, wanneer de wettelijke regeling van den tijd zal zijn tot stand gebracht, de Arbeidswet weder zou moeten worden gewijzigd. Men gaf daarom in overweging de redactie van het artikel in dier voege te wijzigen, dat daaruit blijkt, dat de bepaling alleen geldt zoolang de tijd niet bij de wet is geregeld. A^^- 393- De opmerking werd gemaakt, dat in fabrieken met een groot aantal werklokalen ééne lijst niets zal beteekenen. Men herinnerde, met betrekking tot dit punt, aan het bij art. 385 in overweging gegeven denkbeeld. Het werd onbillijk geacht, dat het hoofd of de bestuurder steeds strafbaar zal zijn, wanneer een niet meer duidelijk leesbare lijst niet door een nieuwe wordt vervangen. Tegen die strafbaarstelling bestond geen bezwaar, wanneer inderdaad nalatigheid van den patroon in het spel is maar ingevolge het bepaalde bij art. 377, j art. 384, zullen ook de arbeiders op de hierbedoelde lijst aanteekeningen kunnen stellen, en nu gaat het toch, meende men, wel wat ver, den patroon te straffen, wanneer hij niet aanstonds zorgt, dat een door dat geschrijf van ;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's