Sociale hervormingen - pagina 42
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
32 veroorloofd, bij onderlinge overeenkomst af te wijken van de voorschriften die de wet stelt, zij zullen ook in zoodanige afwijking te hunnen nadeele moeten bewilligen. Eene bevredigende ordening is, vooral met het oog op deze arbeiders, niet anders te verkrijgen dan door een gedeelte der rechtsregels met dwingende kracht te voorzien. Hoever daarin moet worden gegaan, zal hieronder nader worden besproken, terwijl dan tevens de bezwaren zullen worden getoetst, welke tegen dergelijke dwingende regeling zijn in het midden gebracht. Hier kwam het slechts er op aan, het tweeledige doel en karakter der geheele regeling op den voorgrond te stellen.
§ 3.
Literatuur en wetgeving.
—
Bouwstoffen.
Wetgevers en wetgeleerden hebben zich, vooral in de laatste met het arbeidscontract bezig gehouden. Overal, zoowel op bet vasteland van Europa als in de landen van Engelsch recht, is de arbeidswetgeving tot een codex van respectabelen omvang uitgedijd. Mag ook al veel van hetgeen hier en elders
jaren, veelvuldig
omtrent den arbeid is verordend, publiekrechtelijk zijn en buiten het gebied van het privaatrechtelijk arbeidscontract vallen, wat er overblijft heeft
nog een eerbiedwaardig
aanzien.
Tegenover de landen van Duitsch en Engelsch recht, maakt Nederland een vrij slecht figuur. De arbeidsovereenkomst in het algemeen wordt in ons recht niet geregeld. Niet één artikel is in ons Burgerlijk Wetboek te vinden, dat voor dit contract eenige speciale bepaling geeft, ten minste eene algemeene, voor iedere arbeidsovereenkomst geldende. Want voor bepaalde soorten van deze overeenkomst zijn hier en daar voorschriften opgesteld. Daar zijn vooreerst de bepalingen omtrent het arbeidscontract van de scheepsbemanning (artt. 394 452 W. v. K.), eene vrij uitgebreide regeling, die voor haar tijd zeker niet slecht kan genoemd worden. Dan bevat het Burgerlijk Wetboek nog enkele spaarzame voorschriften omtrent „de huur van dienstboden en werklieden" (artt. 1637 1639). Gelukkig geslaagd kunnen die bepalingen echter geenszins heeten, al was het alleen maar om de moeite, die zij de rechterlijke macht bij de vaststelling van het begrip „dienstbode" en „werkman" veroorzaken 1). Maar bovendien, zij houden zoo bitter weinig in behalve eene beperking van den duur der dienstbetrekking niet anders dan een bewijs-voorschrift en eene bepaling omtrent de beëindiging van den dienst. Van de rechtsbetrekkingen, uit de overeenkomst voortspruitende, wordt niet gerept 2).
er
—
—
:
Drucker, Rechtsgeleerd Magazijn, Dl. XIII (1894,) bladz. 499 en vlg. 1) Vgl. Zie ook infra, bladz. 13 en 14. 2) Over de op dit stuk uitvoerige oud-vaderlandsche keuren, verg. H. DE Groot, Inleiding tot de Hollafidsche rechtsgeleerdheid, uitgegeven door prof. Fockema Andreae,
II,
bladz.
154.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's