Sociale hervormingen - pagina 351
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
407
aangedrongen en hij haar mede op dien grond zou wenschen handhaven. Van de zijde der Commissie werd opgemerkt, dat in de bedoelde adressen vooral daarom tegen den „derden" dag bezwaar is gemaakt, omdat in den termijn de Zondag en algemeen Christelijke feestdagen zouden zijn inbegrepen. De Minister zegde daarop nadere overweging toe.
is
te
Van de zijde der Commissie werd de vraag gesteld, of niet de thans in art. 1638^ ingelaschte uitdrukking: „door schuld van de zijde des werkgevers" als te ruim moet worden beschouwd. De Minister antwoordde, dat eene iets minder ruime uitdrukking als b.v. „indien deze niet-betaling is toe te schrijven enz." wellicht de voorkeur zou kunnen verdienen. :
Van de zijde der Commissie werd betoogd, dat moeilijk kan worden gezegd, dat in de artt. 1638/, 1638 m en 16380 van de vaststelling van een dag van betaling van het loon sprake is. De Minister erkende, dat het woord „vaststelling" hier minder juist is. Wellicht, meende de Minister, ware het bezwaar te ondervangen door het bezigen van eene uitdrukking als: „waarop de betaling had moeten geschieden". .
.
.
Van de zijde der Commissie werd de wenschelijkheid dat aan het slot van de bepaling van het eerste lid van art. dezelfde of eene soortgelijke uitdrukking 1638 r, onder 5 zal worden gebezigd als voorkomt aan het slot van de bepaling van art. 1637^2, tweede lid, onder i. De Minister beloofde aan dezen wensch gevolg te zullen geven. XIX.
geuit,
,
XX.
Van de
der Commissie werd als haar oordeel te de bepaling van het vierde lid van art. 1638^ behoort uit te komen, dat met de daar bedoelde schadeloosstelling is gemeend de schadeloosstelling, in de bepaling van het eerste lid omschreven. De Minister, hoewel van gevoelen, dat bij de gebezigde redactie twijfel bijna niet mogelijk moet worden geacht, verklaarde zich desniettemin bereid de bedoelde bepaling in den aangegeven zin zijde
kennen gegeven, dat
in
te verduidelijken.
Commissie werd verklaard, dat men Ministers, dat het onnoodig zoude zijn, aan art. 1638/ uitdrukkelijk het karakter van dwingend recht toe te kennen. In zoovele artikelen van het ontwerp dit karakter met zoovele woorden aangegeven, waarom zou is dit dan ook hier niet geschieden? De Minister gaf te kennen, dat bij hem tegen deze aanvulling geen bezwaar bestaat.
XXI.
niet
Van de
zijde der
kon beamen het gevoelen des
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's