Sociale hervormingen - pagina 309
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
365
nu
in een dergelijk geval eene „billijke, zich naar het leven richtende rechtspraak", zonder behulp van het hier besproken artikel van de dienstbetrekking zou kunnen bevrijden, is den ondergeteekende niet duidelijk geworden. Van de verhandeling van Prof. mr. J. F. HOUWING betreffende dit onderwerp heeft ook de ondergeteekende met groote belangstelling kennis genomen. Evenals de Commissie van Rapporteurs meent hij zich ontslagen te mog'en rekenen van de taak de leer der overmacht, in deze uitgebreide studie uiteengezet, te dezer plaatse te beoordeelen. Zich overigens geheel aansluitende bij de opmerkingen der Commissie van Rapporteurs, veroorlooft hij zich zijnerzijds de aandacht erop te vestigen, dat, ook indien de opvatting van Prof. HouwiNG omtrent de leer der overmacht in ons
Burgerlijk
Wetboek
juist
is,
daarin geene gegronde aanleiding
voor een bloedbad, als de ijverige geleerde onder de artikelen dezer afdeeling heeft aangericht. Evenals de wetgever voor eene bepaalde vordering een verjaringstermijn kan vaststellen, afwijkende van den algemeenen, kan hij voor eene bepaalde overeenkomst eene onderscheiding in verschillende soorten van overmacht aannemen, voor welke in het algemeen bij de leer van overmacht geene aanleiding bestaat. Dit nu zou hier het geval
kan gelegen
zijn,
al
zijn
neemt men
aan, dat, gelijk Prof.
HouwiNG
van oordeel
de grondige (dringende) redenen van de artt. 1639 ren 1639J (thans artt. 1639^ en 1639 r) en de gewichtige redenen van art. 1639 x (nüuw art. 1639W) beiden zijn te beschouwen als gevallen van overmacht, dan staat het den wetgever nog volkomen vrij ter zake van de bijzondere overeenkomst, welke thans geregeld wordt, af te wijken van de algemeene voorschriften omtrent overmacht, en eene onderscheiding tusschen die gevallen van overmacht in het leven te roepen. De ondergeteekende kan vooralsnog niet inzien, waarom de wetgever niet andere rechtsgevolgen zoude mogen verbinden aan gevallen van overmacht, in het leven geroepen door opzet of schuld van de zijde der wederpartij (de „dringende" redenen), dan aan zulke gevallen, waaraan die wederpartij geene schuld heeft (de „gewichtige" redenen). Ook is het hem, na lezing dezer belangwekkende monografie, niet duidelijk geworden, waarom de wetgever voor deze overeenkomst niet eene bepaalde categorie van gevallen van overmacht zoude mogen afzonderen (de „gewichtige" redenen) en partijen mogen gelasten om, wanneer zij vermeenen in zulk een geval van overmacht te verkeeren, den rechter de beslissing over te laten of hier werkelijk overmacht aanwezig is, en zij dus van de vervulling hunner verplichtingen ontslagen zijn. is,
De
rechter
van het kanton, waarin de
als eischeres optreedt,
partij, die als
het ware
haar werkelijk verblijf houdt, is aangewezen, ten einde zooveel mogelijk geschillen van bevoegdheid te voorkomen. Werd toch de kantonrechter der woonplaats van de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's