Sociale hervormingen - pagina 257
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
313 •
met de bepaling van dit artikel ook civielrechtelijk niet het laatste woord gesproken omtrent den rechtSr toestand der gehuwde arbeidster. Gelijk in de Memorie van Toelichting wordt gemeld, zal eene herziening van het huwelijksOngetwijfeld
is
goederenrecht de geschikte gelegenheid bieden punt nader te regelen.
om
dit belangrijk
Artt. 1637^ en 1637 &• Naast het argument van sommigen der die bezwaar hebben tegen de splitsing der minderjarigen in het ontwerp-DRUCKER dat zij niet op hare juiste plaats is in eene wettelijke regeling, welke in hare algemeenheid alle soorten leden,
,
van arbeidsovereenkomsten omvat, zoude de ondergeteekende nog deze overweging willen stellen, dat namelijk de te trekken grenslijn van achttien jaren, als geheel willekeurig, rechtsongelijkheid zou scheppen, waar vaak feitelijke gelijkheid bestaat: tal van jongelieden zijn, vóór dat zij den achttienjarigen leeftijd hebben bereikt, rijper naar lichaam en geest dan vele anderen, die dien leeftijd reeds eenigen tijd hebben overschreden. De gezondheidstoestand, de opvoeding in of buiten het huisgezin, de maatschappelijke positie, het zijn altemaal factoren, die bij verschillende jongelieden eene verschillende mate van wasdom in het leven roepen, al is de leeftijd dezelfde. Het moge waar zijn, dat dit bezwaar evenzeer geldt tegen de wettelijke meerderjarigheidsgrens, daar staan wij voor een geval, waar het vaststellen van een bepaalden leeftijd als grens tusschen meerder- en minderjarigheid onvermijdelijk en voor de rechtszekerheid noodzakelijk is te achten, terwijl bovendien het vroeger huwelijk en de handlichting in belangrijke mate het plompe van de leeftijdsgrens verfijnen en de afscheiding tusschen minder- en meerderjarigen aanmerkelijk leniger maken. Waar echter, gelijk bij het thans behandelde onderwerp, eene regeling te treffen is, welke, onafhankelijk van eenigen bepaalden leeftijd, zich aan de bestaande bepalingen omtrent de minderjarigheid aansluit, zoude het, naar de meening des onderge teekenden, eene fout zijn, in de wet eene nieuwe indeeling naar den leeftijd op te nemen. Wat nu den inhoud der voorgestelde bepalingen betreft, kan de ondergeteekende in de eerste plaats niet toegeven, dat de bij art. 163 7^ gestelde eischen „te streng en moeilijk te handhaven" zouden zijn. De eenige eisch toch voor de handelingsbevoegdheid des minderjarigen is, dat hij schriftelijk of mondeling door zijnen wettelijken vertegenwoordiger is gemachtigd. Verkiest deze dus niet met den minderjarige mede te gaan, ten einde eene mondelinge machtiging te geven bij het afsluiten der overeenkomst men zie het tweede lid van het artikel dan zal een stukje papier, ongezegeld en ongeregistreerd, waarop de wettelijke vertegenwoordiger verklaart goed te vinden, bijv. dat zijn zoon als timmerjongen gaat werken, voldoende zijn om dien zoon bekwaam te maken tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten als zoo-
—
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's