Sociale hervormingen - pagina 82
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
:
J2
de overeenkomst gevolg te geven, behoeft geene nadere toelichHet wil den ondergeteekende intusschen voorkomen, dat deze bevoegdheid niet duidelijker kan worden aangegeven dan door eene eenvoudige gelijkstelling met de ongehuwde meerderjarige vrouw. Niet alleen dat daarmede de noodzakelijkheid eener opsomming van bevoegdheden vervalt, doch tevens wordt zoodoende het gevaar vermeden, dat de vermeldyig der rechtshandelingen eene lacune bevat, welke in de practijk tot moeilijkheden zoude kunnen leiden. Dit toch schijnt het geval met de bepaling van het Regeeringsontwerp van 1901, waarin geene der gebezigde uitdrukkingen geacht kan worden het beëindigen der arbeidsovereenkomst te omvatten. De gekozen redactie komt den ondergeteekende ook daarom verkieslijk voor, omdat zij de handelingsbevoegdheid der vrouw op ondubbelzinnige wijze beperkt tot de arbeidsovereenkomst. De vraag, in hoeverre deze zelfstandige bevoegdheid ook op ander gebied behoort te worden erkend, ligt buiten het kader van dit wetsontwerp. ting.
Art. 1637^. Ook met betrekking tot jonge arbeiders is eene nadere regeling onmisbaar. Verreweg de meesten, die in dienstbetrekking in hun levensonderhoud voorzien, bereiken hunne maatschappelijke zelfstandigheid vóór den thans geldenden wettelijken meerderjarigheidstermijn, ja zelfs voor den leeftijd van 21 jaren, als meerderjarigheidsgrens bij de wet van 6 Februari 1901 {Staatsblad n. 62) vastgesteld. Bij het sluiten der arbeidsovereenkomst gedragen zij zich reeds vroeg feitelijk als meerderjarigen en worden ook door den werkgever als zoodanig behandeld. Dat dit bij huiselijke dienstboden geschiedt, is algemeen bekend. En uit de Enquête blijkt, dat in handwerk en nijverheid vaak zelfs met zeer jonge arbeiders wordt gecontracteerd. Niettemin zullen deze overeenkomsten volgens onze wet door den rechter moeten worden nietig verklaard, wanneer de nietigverklaring wordt gevraagd. Zeer twijfelachtig is verder ook de beslissing van de vraag, of en in hoever ouders en voogden bevoegd zijn voor hunne kinderen en pupillen arbeidsovereenkomsten te sluiten.
Er is beweerd, o. a. door Diephuis (t. a. p., dl. XII, blz. 319), dat de tegenwoordige toestand niet tot bezwaren heeft aanleiding gegeven. Vooreerst is dit minder juist. Talrijk zijn in de Enquête de klachten van werkgevers over contractbreuk juist door jonge arbeiders 1). Maar bovendien, wie zegt hoe het zal gaan, wanneer men zich, na de wettelijke regeling dezer overeenkomst, nauwkeuriger rekenschap begint te geven van de wederzijdsche rechten en verplichtingen? De enkele gevallen, waarin onze rechterlijke 1)
Bijv.
Amsterdam
Verhooren 36,
141
2.
Groninger
Veenkoloniën
647,
5460;
Zaankant
4967
vgl.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's