Sociale hervormingen - pagina 273
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
329
Vat men de in het Voorloopig Verslag bedoelde verklaring op als een e verbintenis van den arbeider om, wanneer het reglement gewijzigd mocht worden, de verklaring van instemming* in ieder geval af te geven, of hij zich inderdaad met den inhoud van het gewijzigd reglement kan vereenigen of niet, dan zou het beding, waaruit die verbintenis was ontstaan, ongetwijfeld nietig zijn.
Vierde Afdeeling.
Nu
van verschillende zijden is gebleken, dat de weglating art. 1638^ van het Regeeringsontwerp van 1901 en art. 33 van het ontwerp-DRUCKER teleurstelling heeft verwekt, bestaat bij den ondergeteekende geen bezwaar aan deze bepaling weder eene plaats te verzekeren. Hij gaat daartoe over met te minder schroomvalligheid, vermits ten slotte toch reeds het Burgerlijk Wetboek van 1838 meer dan ééne bepaling bevat, welker publiekrechtelijke natuur sterk op den voorgrond treedt. Immers, dat bedoelde bepalingen in hoofdzaak zijn publiekrechtelijk van aard, kan niet worden ontkend. Zoude toch de werkgever van den
van de bepalingen van
arbeider mogen bedingen, dat deze in een onveilig lokaal zal arbeiden ? Men gevoelt, dat een zoodanig beding reeds krachtens art. 14 der wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving nietig zoude zijn. Doch daaruit blijkt, hoezeer de hierbedoelde verplichtingen des werkgevers boven de privaatrechtelijke sfeer der gesloten overeenkomst verheven zijn. Hoewel in het Voorloopig Verslag niet wordt gesproken van de artt. 1638^ en 1638^ van het vorig ontwerp, heeft: de ondergeteekende thans gemeend ook deze artikelen weder in het ontwerp te moeten opnemen; immers de rechtsgrond, waarop zij steunen, is dezelfde als die van art. 1638 # van genoemd ontwerp, terwijl de reden, waarom aanvankelijk geoordeeld werd, dat deze artikelen beter ter zijde werden gelaten, geheel dezelfde is als die, waarop de niet-overneming van art. 16382' berustte. Art. 1638^ stemt in hoofdzaak overeen met art. 38, tweede lid, van het ontwerp-DRUCKER.
Art. 1638. Het moge waar zijn, dat de arbeider in sommige gevallen bij het aangaan der arbeidsovereenkomst de verwachting koestert steeds eene voldoende mate van arbeid te zullen verrichten, daarmede is echter nog geenszins gezegd, dat nu ook van de zijde van den werkgever, zonder meer, steeds de verplichting zou bestaan, den arbeider eene voldoende mate van arbeid te verschaffen en dat zoodanige verplichting vanzelf steeds als een bestanddeel der arbeidsovereenkomst in het algemeen zou moeten worden beschouwd. Natuurlijk kan door den arbeider uitdrukkelijk worden bedongen, dat de werkgever hem steeds «en voldoende mate van arbeid zal verschaffen, maar zonder
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's