Sociale hervormingen - pagina 352
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
408
Van de zijde der Commissie werd de vrees geuit, dat bepaling omtrent den arbeid op Zondag, in het eerste lid van art. 1638 a; opgenomen, in de practijk tot allerlei bezwaren aanleiding zal geven, indien niet behalve huiselijke diensten ook worden uitgezonderd dringende werkzaamheden, uit den aard van de dienstbetrekking voortvloeiend. Zou het niet mogelijk zijn, werd van de zijde der Commissie gevraagd, het slot van de bepaling „ten ware, voor zoover geoorloofd, het tegendeel te doen luiden XXII.
de
:
zij
bedongen?"
De Minister, hoewel van oordeel, dat de geopperde bezwaren voornamelijk zouden blijken te zijn van theoretischen aard, verklaarde zich met het aangegeven denkbeeld aanvankelijk wel te kunnen vereenigen. Van de
XXIII. niet
deelde
in
het
Commissie werd betoogd, dat men
zijde der
gevoelen
dwingend recht minder op
des Ministers, dat
zijne plaats schijnt
bij
art.
1638
ij
met het oog op
de uitdrukking: „voor zoover daarin niet uit anderen hoofde is voorzien." De Commissie meent, dat bezwaarlijk genoegen kan worden genomen met eene regeling als de voorgestelde, waarbij het kan voorkomen, dat de werkgever in geval van ziekte of ongeval van een bij hem inwonenden arbeider niet verplicht is voor diens behoorlijke verpleging en geneeskundige behandeling zorg te dragen, terwijl daarin ook uit anderen hoofde niet is voorzien. De Minister gaf de juistheid van deze opvatting toe.
XXIV.
zijde der Commissie werd verklaard, dat men dat er geen afdoende reden zou bestaan om contractueele afwijking van art. 163800; te verbieden. Ook werd van de zijde der Commissie aanbevolen, de bepaling van het eerste lid van het artikel te doen luiden: „De werkgever is verplicht bij het eindigen der dienstbetrekking den arbeider op diens verlangen een getuigschrift uit te reiken". De Minister verklaarde tegen de aanbevolen redactie-wijziging
niet
kon
Van de
inzien,
geen bezwaar te hebben en in verband daarmede evenmin tegen een verbod van contractueele afwijking van art. 163800.
XXV. Van
de zijde der Commissie werd als hare meening kennen gegeven, dat de bepaling van het tweede lid van 1639?' in zoodanigen zin moet worden verstaan, dat bij art. schriftelijke overeenkomst of bij reglement voor opzegging ook een kortere termijn kan worden gesteld dan de tijd, die gewoonlijk tusschen twee opvolgende uitbetalingen van het in geld vastgesteld te
loon verstrijkt. De Minister antwoordde, dat het de bedoeling is geweest wel het bedingen van een korteren termijn van opzegging toe te laten, maar daarnaast te eischen, dat er altijd een termijn, hoe kort ook, zal blijven bestaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's