Sociale hervormingen - pagina 116
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
:
io6 het fonds loopen gevaar, indien een invalide wordt verzekerd en de werkgever is niet geroepen een geding te voeren ter bescherming van de belangen van het fonds. Houdt dus de voorgestelde regeling rekening met de belangen zoowel van den werkman als van het fonds, ondergeteekenden erkennen, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin zij onbillijk zou werken tegenover den werkman. x\an dat bezwaar wordt tegemoet gekomen door de bepaling van art. 57 van het ontwerp naar welks toelichting het vergund zij te verwijzen.
Art. 9, tweede en derde lid. De Duitsche wet van i88g kende twee soorten van invaliditeit, in § 4, tweede lid en § 9 derde lid dier wet omschreven: de eerste sloot den verzekeringsplicht uit, aan de andere ontleende de verzekerde na vervulling van den wachttijd recht op invaliditeitsrente. In de practijk bleek spoedig dat dit stelsel niet voldeed en het schijnt dan ook niet lang streng toegepast te zijn. Bij de beraadslagingen (i) over § 5 (§ 4 van het ontwerp) der wet van 1899 werd door een lid, dat het voorstel der Regeering verdedigde, verklaard dat het Reichsversicherungsamt zich niet streng aan de letter der bestaande wet had gehouden, maar deze had toegepast, zooals de Regeering voorstelde haar in het vervolg te doen luiden. De Regeering wilde niet anders dan aan het Reichsversicherungsamt een wettige basis geven, om in het belang der betrokken personen de wet verder
Het voorstel werd goedgekeurd en de wet van 1899 heeft voor uitsluiting van den verzekeringsplicht en voor de aanspraak op invaliditeitsrente denzelfden maatstaf: § 5, vierde lid (2), en § 15, tweede lid. Geen der beide definities van de wet van 1889 werd behouden de in § 9 voorgeschreven berekening was te ingewikkeld en de maatstaf van § 4 had groote ongelijkheid ten gevolge, door bij de beslissing of een werkman invalide was buiten aanmerking te laten het loon, dat een werkman van dezelfde soort in validen toestand verdiende (3). De nieuwe definitie houdt rekening met de individueele omstandigheden van den betrokkene. Of een
in denzelfden zin als tot dusver toe te passen.
;
(i) Vergadering van den Rijksdag van I2 Mei 1899 (bladz. 21^2 der Handelingen). Zie ook Verslag Staatse, bladz. 58, § 11, n. i. (2) Het vierde lid van § 5 der wet van 1899, waarnaar in het tweede lid van §
1
5
verwezen wordt,
luidt
nicht diejenigen Personen, deren unterliegen endlich Erwerbsfahigkeit in Folge von Alter, Krankheit oder anderen Gebrechen dauernd auf weniger als ein Drittel herabgesetzt ist. Dies ist dann anzunehmen, wenn sie nicht mehr im Standc sind, durch eine ihren Kraften und Fahigkeiten entsprechende Thatigkeit, die ihnen unter billiger Berücksichtigung ihrer Ausbildung und ihres bisherigen Berufs zugemuthet werden kann, ein Drittel desjenigen zu erwerben, was körperlich und geistig gesunde Personen derselben Art mit iihnlicher Ausbildung in derselbcn Gegend durch Arbeit zu verdienen pflegcn. van de Handelingen van den Rijksdag 189/89, n". 93, bladz. 699, (3) Bijlagen S§ 4 en 9.
Der
Versicherungspflicht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's