Sociale hervormingen - pagina 231
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
287
mag verbreken; zoo 1639 dan nog noodig moet worden geacht, en zoo neen, of de kantonrechter in het geval van art. 1639 o het verzoek zal kunnen inwilligen ook dan wanneer grondige redenen, in den zin daaraan in art 1639 j gewederpartij
ja,
vooraf medegedeelde, redenen
waarom daarnaast de bepaling van
art.
hecht, aanwezig zijn.
Art. 1639^. Verscheidene leden gaven aan de regeling omtrent de schadeloosstelling, in de artt. 58 en 59 van het ontwerpDrucker opgenomen, de voorkeur boven de hier voorgestelde bepalingen. Huns inziens zijn die bepalingen in menig geval geheel onvoldoende. Een ingenieur, een redacteur van een dagblad of een ander hoog bezoldigd arbeider bijv., die door zijnen werkgever zonder opgave van redenen op staanden voet wordt ontslagen, zal in sommige gevallen slechts aanspraak kunnen maken op een schadeloosstelling, gelijkstaande met het bedrag van zijn loon voor den duur van ééne week. Dit, meende men, gaat niet aan. Er moet gelegenheid worden gegeven, als in het ontwerpDrucker geschiedde, door den rechter te doen uitmaken, hoeveel in elk geval, alle bijzondere omstandigheden in aanmerking genomen, de schade bedraagt en welk bedrag aan schadeloosstelling in billijkheid dus moet worden uitgekeerd. De rechter zal dan ook kunnen letten op de omstandigheid, waarop in het meervermelde rapport van het centraal bestuur van den Nederlandschen Roomsch-Katholieken Volksbond te recht de aandacht wordt gevestigd, maar waarmede bij de voorgestelde regeling geen rekening wordt gehouden, dat dezelfde som gelds voor den arbeider eene grootere waarde vertegenwoordigt dan voor den werkgever en het verlies daarvan den eerste ongelijk zwaarder zal drukken dan den laatste. Verder scheen het denkbeeld, dat in het ontwerp-DRUCKER is belichaamd, volgens hetwelk men hetzij volledige schadevergoeding kan eischen, hetzij eene in de wet bepaalde, voor alle gevallen gelijkstaande som kan vorderen, zonder dat van geleden schade eenig bewijs behoeft te worden geleverd, uit practisch oogpunt alle aanbeveling te verdienen. Daar het bewijs van geleden schade veelal niet gemakkelijk zou zijn te leveren, zoude in vele gevallen de gelegenheid tot het vorderen van de wettelijk bepaalde, vaste som de partijen zeer te stade komen.
Op
de boven aangevoerde gronden werd in overweging gegeven, laatste lid niet te spreken van „wettelijke interesten", maar voor de verschuldigde interesten een bepaald percentage te noemen. in
het
Art. 1639 v. Betoogd werd, dat ingeval bij den rechter eene vordering moet worden ingesteld ter verkrijging van de schadeloosstelling, bedoeld bij art. 1639 q, het alleszins mogelijk is, dat omtrent deze vordering zes maanden na den dag, waarop de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's