Sociale hervormingen - pagina 354
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
t
410
De Minister bleef zijne bezwaren tegen het opnemen in de wet van typische voorbeelden en sprekende gevallen handhaven. Zijns inziens is men er met die opneming niet, maar moeten, wil men volledig zijn, van de opgenomen voorbeelden wederom voorbeelden worden gegeven. Daarom achtte hij het beter de uitwerking van de regeling aan den rechter over te laten, dan haar zelf voor een klein deel te geven. Verder herhaalde de Minister de overweging van practische beteekenis, reeds in de Memorie van Antwoord genoemd, dat met hoeveel zorg men ook den enumeratieven aard een er opsomming, als hier bedoeld, aanduide, zij in de practijk allengs toch een limitatief karakter krijgt. Van de zijde der Commissie werd de opmerking gemaakt, dat het nut van het opnemen van typische voorbeelden ook hierin bestaat, dat deze voorbeelden ongeveer den graad aangeven, waaraan de wetgever heeft gedacht, zooals uitkomt bijv. in uitdrukkingen als zich overgeven aan dronkenschap hardnekkig weigeren te voldoen, enz. :
;
De Minister antwoordde, dat hij dit geenszins als een voordeel beschouwde, omdat hij zich bijv. kon denken één enkel geval van dronkenschap onder zoodanige omstandigheden, dat het als dringende reden om de dienstbetrekking te verbreken, zou moeten worden beschouwd. Tegen eene aanvulling als door de Commissie werd gewenscht, bleef de Minister daarom bezwaar maken. Van de van het
zijde der
eerste
lid
Commissie werd opgemerkt, dat de redactie van art. 1639^ niet ongewijzigd zal kunnen
blijven.
De Minister verklaarde in deze opvatting andere redactie te zullen overwegen.
te
deelen en een
XXVIII. Van de zijde der Commissie werd er op gewezen, dat art. 1639/ spreekt van: „onrechtmatige, eigenmachtige verbreking", terwijl in andere artt. 1637 o, 1638 aa en 1639 z* eene eenigszins afwijkende uitdrukking wordt gevonden. De Minister antwoordde, dat meer overeenstemming in de terminologie van de genoemde artikelen zal kunnen worden gebracht.
—
—
XXIX. Van de zijde der Commissie werd als haar oordeel te kennen gegeven, dat in de bepaling van het derde lid van art. 125 b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het woord „verplichtend" door „verplicht" behoort te worden vervangen.
De
Minister
XXX. Van
beaamde de
juistheid
van deze opmerking.
de zijde der Commissie werd de vraag gesteld, gang van de procedure niet beter zou
of het in den algemeenen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's