Sociale hervormingen - pagina 340
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
328
geen voldoende grond te bestaan om de veiligheidsmaatregelen daarop niet van toepassing te verklaren, althans voor zoover betreft den veldarbeid met werktuigen en den arbeid in besloten ruimten. De vroeger veelal heerschende meening als zouden de landbouwbedrijven nagenoeg ongevaarlijk zijn, is gebleken geheel onjuist te zijn. Leerzaam scheen in dit opzicht de statistiek der Duitsche ongevallenverzekering, welke aantoont, niet alleen dat ongevallen bij den landbouw veelvuldig voorkomen, maar ook dat zij in de laatste jaren in sterke mate zijn toegenomen. Dit laatste verschijnsel doet zich wel ook bij de nijverheid voor, maar de toename bij den landbouw is veel aanzienlijker. Waar men nu ook voor het landbouwbedrijf de verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen wil invoeren, scheen het voor de hand te liggen, dat men, bezig zijnde met eene omwerking van de Veiligheidswet, maatregelen moet nemen in het belang van de veiligheid bij dat bedrijf, ten einde het voorkomen van ongevallen zooveel mogelijk te beperken. Evenmin scheen er bezwaar tegen te kunnen bestaan om den arbeid te velde, voor zoover die door kinderen verricht wordt, eenige beperking op te leggen, door b.v. den arbeid van leerplichtige kinderen gedurende en tusschen de schooluren te verbieden. Sommigen meenden, dat men, zooals zij bij de behandeling van art. 63 nader zouden betoogen, hierbij verder behoort te gaan en dat voor die kinderen ook de arbeid voor en na de schooltijden moet worden verboden. Om aan de bezwaren der praktijk tegemoet te komen zou men bij dit verbod geleidelijk te werk kunnen gaan en b.v. kunnen beginnen met een verbod van arbeid voor kinderen beneden 10 jaar en bepalen dat het verbod zich na drie jaar tot kinderen beneden 1 1 jaar zal uitstrekken. Door enkelen werd hierbij de meening uitgesproken, dat men in landbouwkringen, mits slechts overgangsbepalingen werden vastgesteld, tegen zulk eene beperking van den kinderarbeid geen overwegend bezwaar zou hebben en dat men dan zelfs bepalingen tegen den arbeid der gehuwde vrouw niet onaannemelijk zou achten. Een onderzoek, met betrekking tot de vraag, in hoever de arbeid van kinderen en gehuwde vrouwen bij den landbouw en aanverwante bedrijven gemist zou kunnen worden, kwam aan verscheidene leden aanbevelenswaardig voor. Zij verwachtten, dat bij onderzoek tevens zou blijken, dat de meening, als zou de veldarbeid voor kinderen niet ongezond zijn, niet met de werkelijkheid strookt. Een niet minder talrijke groep was van oordeel, dat de Regeering terecht de genoemde bedrijven buiten de werking der wet wil laten, al zouden wellicht betreffende de veiHgheid eenige voorschriften wenschelijk
zijn.
Deze leden ontkenden niet, dat ook bij den landbouw toestanden voorkomen, welke wettelijke bemoeiing rechtvaardigen en daarvoor wellicht zelfs thans reeds vatbaar zijn, maar men diende
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's