Sociale hervormingen - pagina 107
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
97
Art. 1638 e. Hier en daar wordt, in verschillende vormen, de arbeidsovereenkomst bedongen, dat den arbeider een aandeel in de winst der onderneming zal toekomen. Voor dat geval ontstaan twee rechtsvragen, waarop in de wet het antwoord behoort te worden gevonden. Vooreerst de vraag, of de overeenkomst niettemin als arbeidsovereenkomst is te beschouwen, dan of zij door het genoemde beding het karakter aanneemt van een maatschaps- of vennootschapscontract. In overeenstemming met eene uitspraak van den Hoogen Raad van 9 Mei 1881, W. v. h. R. 4644, beslist het Ontwerp, dat het bedoelde beding vereenigbaar is met het begrip van arbeidsovereenkomst. Door de redactie van het artikel wordt tevens uitgemaakt, dat het aandeel in de winst, hetwelk den arbeider is toegezegd, als deel van het loon moet worden aangemerkt, hetgeen van belang is o. a. voor de toepassing van art. bij
1195, 4
.
(nieuw).
In de tweede plaats rijst de vraag, of en door welke middelen de arbeider zich mag overtuigen, dat de werkgever het overeengekomen aandeel in de winst enz. juist berekent. Men zou kunnen beweren, dat dergelijk recht van controle uit den aard van het beding voortvloeit. Doch bij den tegenwoordigen stand der rechtspraak, die herhaaldelijk aan den arbeider eene daartoe strekkende rechtsvordering ontzegde 1), is uitdrukkelijke erken-
ning van dit recht wenschelijk. Evenwel zal de werkgever geheimhouding van den arbeider kunnen eischen. Deze geheimhouding zal intusschen nimmer verder mogen reiken dan met hare bedoeling vereenigbaar, of in het publiek belang gewenscht is. Dit artikel heeft ten doel, er voor te waken, dat handen krijgt bij tusschenpersonen blijft zoo licht iets ervan hangen. Ook in andere landen is dergelijke bepaling noodig gebleken zie § 1 1 $a der Duitsche Gewerbeordnung, ter versterking van reeds bestaande voorschriften in 1891 in de wet opgenomen. Vandaar de bepaling, dat de volmacht, bedoeld bij art. 1421, eerste lid, hetwelk ook op deze betaling toepasselijk is, eene schriftelijke zal moeten zijn, zoodat ook voor den werkgever de onzekerheid of degeen, die zich als gemachtigde voordoet, werkelijk gemachtigde is, grootendeels Art. 1638/!
de arbeider
zelf zijn loon in
;
;
voorkomen
zal worden. Het laatste lid van dit artikel vormt eene afwijking van art. 1421, lid 2, B. W. de werkgever wordt niet bevrijd, al is door de betaling aan den derde de arbeider gebaat en deze behoudt het recht den werkgever tot eene richtige betaling te verplichten. Ook hier is door den ondergeteekende de wijziging aangebracht, welke bij art. 163 8/ nader is toegelicht. ;
Zie o. a. arrest van den Hoogen Raad van 23 Januari 1891, W. v. k. R. 1) 5989, P. v. J. 1891, nr. 14; Rb. Amsterdam 16 October 1891, P. v. J. 1891, 96; Hof Amsterdam 27 Mei 1898, W. v. h. R. nr. 7178, P. v. J. 1898 nr. 79. II.
7
nr. nr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's