Sociale hervormingen - pagina 238
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
228 eerste en het tweede lid van art. 140. Van art. 7 geldt dan hetzelfde als van art. 6. Art. 8 j''. art. 107. De betrokkene, die op het tijdstip van het in werking treden van art. i den leeftijd bijv, van 71 jaren bereikt heeft, behoort een rente te krijgen, indien hij in de vijf jaren, onmiddellijk voorafgaande hetzij aan bedoeld tijdstip, hetzij aan het bereiken van den leeftijd van 70 jaren, gedurende ten minste vier jaren verzekeringsplichtig zoude zijn geweest, indien art. I bij den aanvang dier vijf jaren in werking ware geweest. Toont hij aan van 67 7 i jaren tegen een dagloon van een gulden te hebben gewerkt, dan zou dit hem geen recht op rente geven, indien art. 8 j". art. 107 van toepassing ware. Art. II n^. 2. De daar bedoelde, niet in Nederland wonende personen, zijn verzekeringsplichtig verklaard, omdat onze reederijen anders bij voorkeur vreemdelingen zouden tewerkstellen en onze zeelieden dusdoende in een ongunstigen toestand zouden geraken. Reden om aan bedoelde personen bij het in werking treden van art. i een rente toe te kennen, bestaat er niet. Art. 106. Zie hierboven het aangeteekende op art. 6. De 208 weken behoeven niet onmiddellijk op elkaar te volgen. De premie voor verzekerde werklieden, die door ziekte niet
—
zal gedurende een zekeren tijd worden bedoor de ziekenkas, waarbij de betrokkenen tegen ziekte verzekerd zijn. Met deze regeling houdt het tweede lid verband; de betrokkene zal geacht worden gedurende een gelijken termijn
werken kunnen,
taald
werk te hebben voortgezet. Het derde lid kent onder zekere omstandigheden ook aan den
zijn
vreemdeling het recht op een rente toe. Daarvoor pleit de bilmaar de termijn van vijf jaren in dat lid gesteld zou, met het oog alleen op de billijkheid, wellicht te kort zijn. Werd echter die termijn langer gesteld, dan zou het volgende zich voordoen. De vreemdeling, naar onze wet meerderjarig, die vijf jaren in Nederland zijn woonplaats of zijn hoofdverblijf gehad heeft, kan genaturaliseerd worden, indien hij 100 gulden betaalt De (art. 3 der wet van 12 December 1892, Staatsblad n". 268). vreemde werkman, die recht op een rente zou hebben, indien hij Nederlander was, zou zich dus indien hij hier vijfjaren zijn woonplaats of zijn hoofdverblijf had gehad laten naturaliseeren, als hij de daarvoor vereischte 100 gulden bij elkaar kon krijgen. Zij die er het slechtst aan toe zijn, die geen 100 gulden kunnen storten, zouden dus geen rente krijgen, terwijl zij, die uit eigen middelen of door anderen geholpen de vereischte storting deden, een rente zouden krijgen, indien zij er overigens aanspraak op hadden. De vrouw, krachtens art. iio in het genot van rente, kan aanspraak verkrijgen op weduwenrente. Cumulatie wordt uitgesloten door het laatste lid. De weduwe kan er belang bij hebben, dat haar in plaats van de rente van art. 1 o worde toegekend lijkheid,
—
—
1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's