Sociale hervormingen - pagina 344
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
400
boek ook moet worden melding gemaakt van het bedrag der schadeloosstelling, omschreven in art. 1639 s. Het scheen toch hard, dat dit bedrag niet tot de bevoorrechte schulden zou behooren.
De
Minister verklaarde zich in beginsel met de vermelding het bedrag der schadeloosstelling in de bepaling van van het Burgerlijk Wetboek wel te kunnen verart. 1195, 4 eenigen, ook daarom, omdat zijns inziens de aldus aangevulde bepaling min of meer eene tegenhangster zal vormen van die van art. 1638 s, omtrent het bedingen door den werkgever van staangeld.
van
.
Van de zijde der Commissie werd twijfel uitgesproken III. aan de juistheid der meening, op bladz. 11 en 12 van de Memorie van Antwoord geuit, dat de bepalingen van het ontwerp niet van toepassing zijn op diegenen, zooals portiers en kellners in sommige inrichtingen, die geen loon ontvangen of zelfs den eigenaar der inrichting betalen voor het recht in zijne zaak werkzaam te mogen zijn. In elk geval, zoo werd van de zijde der Commissie verklaard, kon niet worden gedeeld in 's Ministers gevoelen, dat het niet als eene leemte in het ontwerp zou zijn te beschouwen, indien de bedoelde personen niet onder zijne bepalingen vielen. Voorschriften als b.v. die omtrent opzeggingstermijnen, het uitreiken van een getuigschrift enz. moeten ook voor de bedoelde personen van groot belang worden geacht. De minister constateerde allereerst, dat het hier geldt eene uiterst kleine categorie van personen, omdat portiers en kellners wel bijna steeds in eenigen vorm loon, hoe gering dan ook, zullen ontvangen vervolgens gaf de Minister de wenschelijkheid toe, dat ook op deze kleine categorie van personen de bepalingen van het ontwerp van toepassing zullen zijn, maar ;
meende hij, dat twijfel kan rijzen, of deze toepasselijkheid met het oog op de omschrijving, in art. 1637 a van de arbeidsovereenkomst gegeven, mag worden aangenomen. Aan de practijk en de jurisprudentie, meende de Minister, behoort deze vraag ter beslissing te worden overgelaten mocht die beslissing luiden in ontkennenden zin, dan zou te zijner tijd in de wet daarom;
trent voorziening kunnen worden getroffen. Voorbijgezien mag toch niet worden, dat de wet wel niet dadelijk in elk opzicht volledig zal blijken, maar de practijk wellicht leemten zal aan den dag brengen of zal doen zien, dat bij het snelle leven van tijd de gegeven passen en voldoen.
onzen
voorschriften
niet
in
elk opzicht
meer
IV. Van de zijde der Commissie werd betoogd, dat vast behoort te staan, dat de uitbetaling van het loon steeds moet geschieden in dezelfde munt, waarin het werd vastgesteld, zoodat in de gemeenten, bedoeld in art. 19, tweede lid, der Muntwet
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's