Sociale hervormingen - pagina 477
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
465
346 en 369, onder een der in het derde lid van art. 424 aangegeven omstandigheden, uitsluitend hechtenis op te leggen. In de Memorie van Toelichting wordt terecht verklaard, dat de overtredingen van de voorschriften der wet voor een gedeelte uit verzuimen kunnen bestaan en dat het te ver zou gaan op dergelijke verzuimen een zware straf te stellen of wel geen andere straf dan hechtenis daartegen te bepalen. Nu kunnen echter, meende men, zeer hcht overtredingen voorkomen van de artt. 73 en 369, welke ten hoogste het karakter van een verzuim dragen en waarvoor dus hechtenis, zelfs bij recidive, een te zware straf zou zijn. Sommige andere leden, de juistheid van deze opmerking in theorie toegevende, spraken de meening uit, dat de rechterlijke macht aanleiding tot dergelijke bepalingen heeft gegeven, daar wegens overtreding van de tegenwoordige Arbeidswet nog nimmer hechtenis is opgelegd, zelfs niet bij de kwaadwilligste overtredingen, een feit, dat overigens, naar eenige leden opmerkten, zeer te verklaren is uit de omstandigheid, dat de kantonrechter in deze heeft te vonnissen en de alleensprekende rechter niet gaarne iemand naar de gevangenis verwijst. In verband hiermede werd de wensch uitgesproken, dat de Minister een overzicht overlegge van de bepalingen, welke in het buitenland gelden met betrekking tot de berechting van overtredingen als hier bedoeld, een wensch welke aan sommige leden aanleiding gaf, onder herinnering aan de met betrekking tot de met de Beroepswet opgedane ervaring, reeds bij voorbaat te waarschuwen tegen het instellen van afzonderlijke rechtscolleges.
wel
Met betrekking tot de recidive werd door eenige leden in overweging gegeven, den tijd, welke sedert het onherroepelijk worden van eene vroegere veroordeeling moet zijn verloopen om aanleiding te geven tot verzwaring van het strafmaximum, tot de helft verminderen.
te
Door sommige leden werd het verkeerd geacht, dat de straffen nagenoeg uitsluitend tegen de werkgevers zijn gericht. Er zijn naar hunne meening, behalve de in art. 425, onder b, genoemde gevallen, nog verscheidene andere bepalingen in het ontwerp, waarvan overtreding door de arbeiders moest worden strafbaar gesteld.
Ten slotte werd nog herinnerd aan hetgeen bij de algemeene beschouwingen omtrent het wetsontwerp werd opgemerkt met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid bij de gemeentebedrijven.
ArL feit
426. Sommige leden vroegen, of het niet geacht moet worden te vallen onder
onder a genoemde de algemeene straf-
bepahng van art. 184 van het Wetboek van Strafrecht. Andere leden meenden, dat zulks niet het geval is, aangezien voor de toepasselijkheid van laatstbedoelde bepaling het element „opzet" wordt vereischt, hetgeen hier niet het geval is. III.
30
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's