Sociale hervormingen - pagina 103
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
93
de verordening bepaald werd dat de tijd in militairen dienst door gebracht door den werkman, wien bij den aanvang van dien dienst door het publiekrechtelijk lichaam pensioen verzekerd was, voor de aanspraak op en het bedrag van het pensioen als diensttijd gold, voor zoover door het Rijk over dien tijd premiën betaald zouden worden voor den werkman, indien deze bij de Bank verzekerd was. In beginsel ware het juist, dat het Rijk de publiekrechtelijke lichamen schadeloos stelde voor de uitgaven hun veroorzaakt door de bepaling van litt. c. Practisch verdient het echter geen aanbeveling, omdat het financieel belang der publiekrechtelijke lichamen te gering is om den omslag en de administratie aan dergelijke regeling verbonden te wettigen. Het aantal werklieden, aan wie pensioen verzekerd is door publiekrechtelijke lichamen voordat zij ter voldoening aan de militiewet onder de wapenen komen (art. 82), is gering en zal ook na de invoering dezer wet niet groot zijn; de werklieden worden in den regel niet in vasten dienst genomen vóór zij hun militieplicht hebben vervuld en pensioen zal uit den aard der zaak alleen verzekerd worden aan hen, die in vasten dienst zijn. De kosten uit litt. c in verband met art. 83 voortvloeiende, zullen eveneens gering zijn. De bepalingen, opgenomen in litt. f en in het vijfde en zesde lid, zijn noodig, opdat de uitkeering der renten, aan de verzekerden toegekend of later toe te kennen, te allen tijde verzekerd zij. Dekt de contante waarde der tegenwoordige en toekomstige baten niet langer de contante waarde der tegenwoordige en toekomstige lasten, dan moet het fonds versterkt worden. Mogen de bijdragen van den werkman, met het oog op de bepaling van litt. e, verhoogd worden, dan kan het publiekrechtelijk lichaam dit zelf doen, voor zoover het daartoe tegenover zijn werklieden bevoegd is en uit een oogpunt van utiliteit geen bezwaren tegen verhooging aanwezig acht. Is het niet bevoegd de bijdragen van den werkman te verhoogen of maakt het geen gebruik van die bevoegdheid, dan behoort het zijn eigen bijdragen te verhoogen. Bij gebreke daarvan zal de Koningin bevelen, dat in het fonds door den werkgever worde gestort zooveel als noodig is om het tekort te dekken. Mocht ooit het geval in het achtste lid voorzien zich voordoen, dan zal een bijzondere wet de zaak regelen. Het aandeel in de kosten der verzekering, dat ten laste der publiekrechtelijke lichamen komt, zal relatief grooter zijn dan het aandeel, dat de werkgever betaalt in de premie van den werkman, die bij de Bank verzekerd is; maar het bedrag, dat die lichamen als werkgevers gemiddeld voor een verzekerde betalen, zal daarom niet grooter behoeven te zijn dan bij de Bankverzekering. Twee redenen leiden er toe, dat het werkgeversaandeel in de kosten der verzekering in verhouding tot het werkmansaandeel grooter is dan bij de Bankverzekering. in
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's