Sociale hervormingen - pagina 148
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel III.
136
en den secretaris van de lijke commissiën. bedoeld
AriL
27
— 29.
Het
Kamers van Arbeid en van de in art.
sluiten der leerovereenkomst is geregeld in
27 tot 29, Met uitzondering kelen geen toelichting te vereischen.
de
plaatse-
86 der Ongevallenwet 1901.
artt.
van
art.
27 schijnen die artiart. 27 zij
Ten aanzien van
het navolgende opgemerkt (art. 38), De duur der leerovereenkomst zal óf gelijk zijn aan óf langer zijn
dan de duur van den
leertijd, bij
algemeenen maatregel vast-
gesteld overeenkomstig het bepaalde in In de leerovereenkomst moet worden
art.
32.
opgenomen een proeftijd, gedurende welken de overeenkomst kan worden opgezegd zoowel
door het hoofd of den bestuurder der inrichting als door den wettelijken vertegenwoordiger van den leerling. Het opnemen van dit voorschrift schijnt wenschelijk, omdat het mogelijk is, dat na een korten tijd blijkt, dat leerling en patroon niet bijeen hooren en dat het beter is, dat elk zijn eigen weg gaat. Volgens art. 33 mag de duur van den proeftijd op niet langer dan 6 maanden
worden bepaald. Het is uit den aard der zaak wenschelijk, dat de leerovereenkomst zoo min mogelijk aanleiding geve tot geschillen en dat met name over de beëindiging van de betrekking, welke de leerovereenkomst deed ontstaan, zoo min mogelijk oneenigheid voortkome. In art. 46 is getracht de gevallen op te sommen, waarin zonder meer de betrekking eindigt. In het algemeen zal het niet wenschelijk zijn, dat de leerling worde gebezigd voor huiselijke diensten. Intusschen een absoluut verbod om dergelijke diensten te bewijzen aan den patroon, schijnt te ver te gaan. Met het oog daarop wordt voorgesteld dat huiselijke diensten alleen dan door een leerling zullen kunnen worden en dus deel uitverricht, wanneer hij bij den patroon inwoont terwijl in dat geval in de leerovereenmaakt van diens gezin komst zal moeten worden bepaald welke uren aan opleiding moeten worden besteed.
—
—
— 36.
Het is noodzakelijk om den burgemeester de kennen om de door hem verleende vergunning in te trekken. Van die bevoegdheid kan slechts gebruik worden gemaakt wanneer bij den burgemeester de overtuiging bestaat,Arlt.
34
bevoegdheid toe
te
dat de patroon geen voldoende vakopleiding geeft of dat hij geen waarborg oplevert tegen verkeerden invloed op de zedelijke ontwikkeling van den leerling. Bovendien zal de burgemeester het advies der commissie hebben in te winnen. Waarborg tegen misbruik van deze bevoegdheid is gezocht in het toekennen van beroep aan hem, wiens verzoek niet werd ingewilligd.
Behalve de bevoegdheid om de vergunning in te trekken moet den burgemeester nog een andere bevoegdheid toekomen. Indien het onderzoek naar de vraag of de vergunning al of niet behoort
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's