Sociale hervormingen - pagina 135
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
125
De moet
aard der bepaling brengt mede, dat ze dwingende kracht bezitten.
Art.
1639.A;.
Ook
indien zich ernstige redenen voordoen, welke
moeten leiden, doch die niet door den wil van partijen konden worden vermeden, moet de gelegenheid bestaan om van de dienstbetrekking ontslagen te worden zonder tot schadeloosstelling of schadevergoeding verplicht te zijn. Naast de „grondige" redenen in de artikelen 1639^ 1639.? behandeld, staan de „gewichtige" redenen van dit artikel. Het verschil tusschen beide werd reeds boven kortelijk aangestipt. Bij de „grondige" redenen, in de artikelen 1639^ en 1639 s omschreven, heeft men te doen met omstandigheden, die het verklaren, ja rechtvaardigen, dat eene der partijen onmiddellijk een einde maakt aan de dienstbetrekking. De partij, die in zoodanig geval eigenmachtig de dienstbetrekking verbreekt, is gehouden tot schadeloosstelling, tenzij later bij den rechter blijkt, dat er inderdaad een grondige reden bestond. De gewichtige redenen daarentegen, welke hier ter sprake zijn, wettigen volstrekt niet eene plotselinge eigenmachtige verbreking der dienstbetrekking ze geven slechts aanspraak op eene billijke nadere regeling, die, waar partijen het niet eens kunnen worden, door den rechter behoort te worden uitgesproken. Tot rechtvaardiging eener eigenmachtige verbreking kan men zich op het bestaan van eene van deze redenen niet beroepen; men ontkomt niet aan de schadeloosstelling, al slaagt men er in, den rechter te overtuigen, dat er eene reden bestond, die tot toepassing van art. 16393: aanleiding had kunnen geven. In de wetten en bij de schrijvers wordt aan de gevallen, waarop dit artikel het oog heeft, niet altijd voldoende aandacht geschonken. Doordien men verzuimt op te merken, dat ze eene afzonderlijke rubriek vormen en eene afzonderlijke behandeling vereischen, geraakt men niet zelden ermede verlegen en tracht zich te redden door óf het geval te brengen onder de dringende redenen, die onmiddellijke eigenmachtige verbreking rechtvaardigen, óf overmacht aan te nemen, waardoor de dienstbetrekking van zelve zou zijn geëindigd 1). Zoomin het een als het ander beantwoordt aan den aard der hier aanwezige feiten. tot opheffing der dienstbetrekking
—
;
n
Nov. 1870 1) Zoo besliste de rechtbank te 's Hertogenbosch bij vonnis van {Rechtsgel. Bijblad 1872, bladz. 410,) dat onteigening der fabriek den werkgever in de onmogelijkheid brengt, de overeenkomst uit te voeren, zoodat dan de dienstbetrekking eindigt. Verg. ook Hof Amsterdam 8 Oct. 1897, W. v. h. R. n. 7056, P.v.J. 1898 n. 5 en Rb. Leeuwarden 31 Maart 1898, P. v. J. 1898 n. 51. Zie over overmacht verder o. a. Gtjillouard, t. a. p., n. 729; Cornil, t. a. p., bladz. 341 envlg. Hubert-Vaixeroux, t. a. p., bladz. 381 en vlg. Met het oog op een voorgeno-
—
men
huwelijk des arbeiders zeide men oudtijds hier en daar (Graf und Dietherr, Deutsche Rechtssprichwörter, Nördlingen 1869, bladz. 179, 182): „wer freien will, muss erst ausdienen;" doch elders heette het: „Freien geht vor Miethe" of „Ehe bricht die Miethe. " Over den rechtstoestand bij overdracht eener onderneming handelt een belangrijk arrest van het Hof van Parijs van 4 Augustus 1896 (Dalloz, 1897,11,476.)
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's