Sociale hervormingen - pagina 99
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
89
den drukken tijd 25 gulden in de week verdient, niet geacht kunnen worden meer dan 1000 gulden per jaar te verdienen, tenzij hij dit aannemelijk maakt.
der, die in
Ari. 4. De bepaling is noodig, indien huiswerk door een gezin wordt verricht. Maken man, vrouw en een paar kinderen sigaren, werkt het gezin voor een magazijn van gemaakte kleedingstukken, dan zal een algemeene maatregel van bestuur wel de loonklassen aanwijzen, waartoe diegenen behooren, wier loon niet meer dan 1000 gulden per jaar bedraagt en die dus werklieden zijn in den zin dezer wet, maar de vraag of het loon meer dan 1000 gulden per jaar bedraagt zou in ieder bijzonder geval ten aanzien van ieder der leden van het gezin moeten worden beslist. Ter vermijding van de moeilijkheden aan een schatting verbonden wordt ieder geacht evenveel te verdienen, met dien verstande, dat kinderen beneden 14 jaren geacht worden niets te verdienen.
De fictie zal in de meeste gevallen niet met de werkelijkheid overeenkomen; wil men echter de zaak eenvoudig regelen, dan zal hetzelfde van elke andere regeling gelden. Practisch zal de bepaling omslag voorkomen en niet verkeerd werken. Op de loonklasse, waartoe de betrokkene, indien hij verzekeringsplichtig is, behoort, is de bepaling niet van invloed; de klasse wordt bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen. Dat een persoon, ten gevolge van het artikel, verzekeringsplichtig zou worden, terwijl hij het niet behoorde te zijn, zal niet dikwijls het geval zijn, omdat dergelijke personen zelden meer dan 1000 gulden per jaar verdienen. Het omgekeerde, dat een persoon, tengevolge van de bepaling van art. 4, niet verzekeringsplichtig zou zijn, terwijl hij het wel behoorde te wezen, zal evenmin licht voorkomen daarvoor zouden de betrokken personen, de kinderen beneden 14 jaren bij de berekening buiten aanmerking latende, gemiddeld meer dan 1000 gulden moeten verdienen, hetgeen bijna nimmer zal voorkomen. Ten slotte zij opgemerkt, dat art. 4 en het laatste lid van art. 2 de eenige gevallen zijn, waarin bij de beantwoording der vraag: is een persoon verzekeringsplichtig (art. i, eerste lid) of: is een verzekerde bevoegd de verzekering als vervallen te beschouwen {art. I, tweede lid), een wettelijke fictie beslissend is ten aanzien van het bedrag van het loon in alle overige gevallen is het in werkelijkheid verdiende loon of het bedrag, waarop het loon geschat ;
;
wordt, beslissend.
Art.
5.
Een bepaald persoon
is
in
den
zin
van het ontwerp
kan niet van den eenen ondernemer wel, ten opzichte van een ander geen werkman zijn. Een werkman kan overigens zelfstandig werkzaam wezen, behoeft geen werkgever
op een bepaald tegelijkertijd
te hebben.
ten
tijdstip
werkma^i, of
opzichte
hij
is
dit niet: hij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's