Sociale hervormingen - pagina 118
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
—
;
io8
worden gemist. Overeenkomstig de beginselen, welke aan de artikelen 1638 c en 1638^ ten grondslag liggen, vervalt alleen dan de verplichting tot het betalen van kostgeld, indien de verhindering voor den werkgever om het bedongen loon, voor zoover dit in kost en inwoning bestaat, te voldoen, is veroorzaakt door een den arbeider op zy'n "verzoek verleend verlof. Het bedrag van het kostgeld zal, bij gebreke van een beding te dien aanzien, van het plaatselijk gebruik moeten afhankelijk zijn.
Art. 1 638 v. „Waar de aard van den dienst medebrengt inwoning van den arbeider of bediende bij den patroon of meester, behoort de laatste voor voeding, ligging en verpleging in geval van ziekte te zorgen", schreef mr.
1887,
bl.
334
Molengraaff,
in
Rechtsgeleerd Magazijn,
i) ;
Deze verplichting van den werkgever is in onze oude vaderlandsche rechten hier en daar erkend. In de tegenwoordige Nederlandsche wetgeving is ze opgenomen met betrekking tot scheepsvolk (art. 424 en art. 386 Wetboek van Koophandel).
Wat
het elders geldende recht aangaat, valt vooreerst te wijzen
op verschillende bijzondere wetten, met name de Duitsche Gesindeordnungen 2), maar bovenal op het Zwitsersche Verbintenissenrecht, art. 341, 2de lid, en het Duitsche Burgerlijk Wetboek, § 617 95 der Invoeringswet). Het Zwitsersche „der Arbeitgeber hat den Dienstpflichtigen, welcher mit ihm in hauslicher Gemeinschaft lebt, bei vorübergehender unverschuldeter Krankheit auf eigene Kosten verpflegen und arztlich behandeln zu lassen". Het Duitsche Wetboek treedt in verschillende bijzonderheden; zoo wordt daar de duur van de verplichting des werkgevers op zes weken bepaald zoo wordt voorgeschreven, dat plaatsing van den arbeider in een ziekenhuis als voldoende verpleging en geneeskundige behandeling (zie daarbij
§
619 en
art.
Wetboek zegt eenvoudig:
wordt beschouwd,
Men
enz.
ook in Duitschland niet verheeld, dat een volkomen bevredigend resultaat langs dezen weg niet wordt verheeft zich
kregen, dat dit alleen door verplichte verzekering is te bereiken. Zoolang deze o. a. voor dienstboden nog niet bestaat, meende men intusschen het minder afdoende middel niet te moeten versmaden 3). Evenzoo KaHLER, Gesindewesen und Gesinderecht in Deutschland, Jena 1896, 227: „Es ist widersinning, das Gesinde als Glied in die sittlichen Beziehungen der Hausgemeinschaft hineinzustellen und es dann in dem Augenblick, wo es der Hilfe der anderen Glieder am meisten bedarf, aus dieser Gemeinschaft ohne weiteres aus1)
bladz.
zusch Hessen." 161, 194. Zie 2) Een overzicht is te vinden bij KaHLER, t. a. p., bladz. 158 verder Soziale Praxis, 5, 922 en 102 1. 3) Zie de gedachtenwisseling, over het aangehaalde artikel van het Burg. "Wetb. gevoerd, in Bericht der Reichstagscommission iiber den Entw. eines Biirg. G. B. Berlin, Carl Heymanns Verlag, 1896, bladz. 47, 48 en het stenographische Verslag over de 2de en 3e lezing, bladz. 88 94.
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's