Sociale hervormingen - pagina 167
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
in
dienstbetrekking te
mogen
zijn.
Kan te hunnen aanzien van En hoe staat het met de
eene arbeidsovereenkomst sprake zijn?
van stationneerende rijtuigen, wier financieele verhouden patroon vaak zeer ingewikkeld is? Eindelijk werd hier gewezen op de zoogenaamde hulparbeiders, als de hulpwevers en aanlappers in de textiel-industrie en de wikkeljongens of bosjesmakers bij de sigarenmakerij en werd de vraag gesteld, of deze hulparbeiders geacht zullen moeten worden met den werkgever der arbeiders, dan wel met de arbeiders zelven, die zij behulpzaam moeten zijn en aan wie zij zich geheel moeten aanpassen, eene arbeidsovereenkomst te hebben aangegaan. koetsiers ding- tot
Tweede Afdeeling. Op de door enkele leden gestelde vraag, of niet in de wet behoorde te worden voorgeschreven, welke bepalingen eene arbeidsovereenkomst in elk geval zou moeten inhouden, werd geantwoord, dat het vrijwel ondoenlijk moet worden geacht, vooral waar het hier eene regeling geldt van zoo algemeene strekking, die alle arbeidsovereenkomst omvat, zoodanigen minimum -inhoud der arbeidsovereenkomst in de wet op te nemen. Ook werd gevraagd, of in de wet niet behoorde te worden bepaald, op welk oogenblik de dienstbetrekking, uit eene arbeidsovereenkomst voortvloeiende, geacht zal worden een aanvang te nemen. Men antwoordde, dat het opnemen van zoodanige bepaling in de wet niet noodig moet worden geacht; het tijdstip van aanvang der dienstbetrekking zal of bij de arbeidsovereenkomst worden bepaald, of zal feitelijk blijken en het gemis van een uitdrukkelijk wettelijk
voorschrift
zal nauwelijks tot moeilijkheden aanleiding
kunnen geven. Verscheidene leden gaven er hunne teleurstelling over te kendat de bepalingen van art. 163 7.5- van het ontwerp-CORT van der Linden (art. 41 van het voorstel-DRUCKER) niet zijn overgenomen. Blijkens de Memorie van Toelichting meent de nen,
Minister, dat het eerste lid
van
art.
1
63 7 s louter
is
te
beschouwen
een paraphrase van het gemeene recht en komt hem het tweede lid overbodig voor. De bovenbedoelde leden wilden daarlaten, of, ook zonder de bepaling van het bedoelde eerste lid, krachtens de vierde afdeeling van den eersten Titel van het derde Boek hetzelfde zoude gelden, maar konden de overbodigheid van een voorschrift, als in het tweede lid is opgenomen, geenszins toegeven. Het moge dan waar zijn, zooals in de Memorie van Toelichting wordt beweerd, dat het de taak des rechters is de gel ds waarde te bepalen van schade, welke niet in eene bepaalde geldsom bestaat, de ervaring leert, dat de rechterlijke macht in den regel niet geneigd is geleden schade, die niet in eene als
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's