Sociale hervormingen - pagina 101
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
91
moeten worden, bijv, de artt. 39,51 en 65, indien bestuur in twee afdeelingen wordt verdeeld. In geen geval zou dus thans reeds de Rijksverzekeringsbank kunnen worden delijk gewijzigd
het
aangewezen.
Art
wien door het Rijk pensioen verzekerd is, kan de Bank verzekeren hij is uitsluitend bevoegd een reeds bestaande verzekering voort te zetten. Het laatste geldt ook dan, indien de pensioenverzekering door het Rijk terugwerkt. Een persoon, die in tijdelijken dienst van het Rijk treedt, daarna bij de Bank wordt verzekerd, later een definitieve aanstelling in Rijksdienst krijgt en wiens diensttijd voor pensioen wordt gerekend te loopen van het tijdstip af, waarop hij in tijdelijken dienst van het Rijk trad en nog niet bij de Bank verzekerd was, is bevoegd de verzekering bij de Bank voort te zetten. Voor de toepasselijkheid van het eerste Ud wordt niet vereischt, dat de werkman in dienst van het Rijk is gevorderd wordt alleen, dat den werkman pensioen verzekerd zij door het Rijk (art. 37 van de wet van 17 Augustus 1878, Staatsblad r\^. 127). Maar de werkman moet dan ook verzekerd ztjn door het Rijk; hij, die bevoegd is zich bij het Rijk te verzekeren, maar van die bevoegdheid geen gebruik maakt, is verplicht zich bij de Bank te verzekeren. Het eerste lid van het artikel vordert niet, dat aan de weduwe van den werkman pensioen verzekerd is door het Rijk. Na het tot stand komen der Invaliditeitswet zullen aan de werklieden, vallende onder het eerste lid van art. 6, zoowel als aan hunne weduwen, voor zoover zij in een minder gunstigen toestand verkeeren dan het geval zou zijn, indien zij onder de Invaliditeitswet vielen, gelijke rechten behooren te worden toegekend als bij bedoelde wet aan de werklieden en hunne weduwen verzekerd zijn. Dezelfde redenen, die geleid hebben tot de bepalingen van het tweede en het derde lid van art. i, maken de bepaling van het tweede lid van art. 6 noodig. Hij,
6.
zich niet
bij
;
;
algemeene beschouwingen en de toelichde ambtenaar, op de secretarie werkzaam is geen werkman en dus in geen geval verzekeringsplichtig. De Koningin geeft, behoudens hetgeen in het vierde lid bepaald is, de in het eerste lid bedoelde verklaring, zoodra de verordening voldoet aan de in het derde lid gestelde vereischten. Of de regeling in andere opzichten goed is, is hier de vraag niet daaromtrent gelden de gewone bepalingen. Ten aanzien van het tweede lid geldt hetgeen bij de toelichting van het tweede lid van art. 6 is gezegd. Het derde lid stelt uitsluitend ten aanzien van de hoofpunten der verzekering voorwaarden, waaarvan de voornaamste is de bepaling van litt. e: de bijdragen van den werkman mogen gemiddeld niet in ongunstiger verhouding staan tot de hem en zijn Art.
7
ting van
Zie § 10 der
art.
i
;
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's