Sociale hervormingen - pagina 303
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
359
verbreking rechtvaardigt. In de uitdrukking „ eene dringende reden om de dienstbetrekking eigenmachtig te verbreken" steekt derhalve iets pleonastisch. Dat de ondergeteekende toch heeft gemeend tot de bovenvermelde wijziging te moeten overgaan, vindt zijne oorzaak in de omstandigheid, dat tusschen „dringend" en „gewichtig" een belangrijker en duidelijker sprekend taalkundig verschil bestaat, dan tusschen laatstgenoemd woord en „grondig". Overigens kan, in overeenstemming met het bovenstaande, niet de juistheid worden toegegeven van de opvatting, dat de gewichtige redenen van art. i6$qx (nieuw art. 1639 w) als „grondige" redenen zijn aan te merken, al zijn zij niet van dringenden aard. Grondige redenen om eigenmachtig de dienstbetrekking te verbreken zijn zij immers niet, en, waar hare beteekenis juist van dien aard is, dat zij een beroep op den rechter rechtvaardigen ten einde, zonder schadeloosstelling te betalen, zeer spoedig van de dienstbetrekking ontslagen te worden, kan haar juist een dringend karakter niet worden ontzegd. :
Nu bij dit artikel de eigenmachtige verbreking der dienstbetrekking zonder dringende reden en hare al dan niet rechtmatigheid is ter sprake gebracht, veroorlooft zich de ondergeteekende terug te komen op het bij de artt. 1639/ en 1639/ geopperd, hierboven reeds in ander verband aangeroerde denkbeeld om den werkgever de bevoegdheid te verleenen den arbeider onmiddellijk, zonder inachtneming van eenigen opzeggingstermijn, te ontslaan, mits onder verplichting hem gedurende den opzeggingstermijn het volle loon uit te keeren. Uit hetgeen hierboven werd gezegd kan blijken, dat deze bevoegdheid reeds in het ontwerp is vervat. Het behoeft intusschen wel niet te worden verzekerd, dat eene dergelijke bevoegdheid niet aan den werkgever alleen kan worden toegekend de redenen, welke deze bevoegdheid tot een eisch der practijk maken, kunnen evenzeer voor den arbeider bestaan. Ook deze kan er groot belang bij hebben niet den ganschen duur van den opzeggingstermijn af te wachten en met betaling eener schadeloosstelling zich onmiddellijk van de dienstbetrekking te ontslaan. De billijkheid dit recht niet slechts aan ééne der beide partijen te verleenen, springt in het oog. De ondergeteekende kon zich dan ook, blijkens den inhoud van art. 1639^ (nietiw art. 1639/), met het denkbeeld zoodanige bevoegheid toe te kennen zoowel aan den arbeider als aan den werkgever volkomen vereenigen. Het argument, waarbij het bestreden werd, dat namelijk voorbijgezien was, dat deze regeling der arbeidsovereenkomst eene algemeene is en niet alleen zal gelden voor werklieden in den gewonen zin, schijnt veeleer steun aan het voorstel te geven, dan het afbreuk te doen. Inderdaad past geene bevoegdheid beter bij welke soort van dienstbetrekking ook, dan juist deze. Het dagmeisje, dat enkele stuivers per dag verdient, en de directeur eener naamlooze vennootschap met een :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's