Sociale hervormingen - pagina 106
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
96
„en van datgene wat of moedwillig
heeft
hij in denzelfden tijd elders heeft verdiend nagelaten te verdienen" (art. 21 ontwerp-
DRUCKER;
art. 1638^, Regeerings-ontwerp 1901) te vervallen. geval betreft eene tijdelijke dienstneming, terwijl de eigenlijke dienstbetrekking voortduurt. Niet alleen dat de bestaanbaarheid van zulk eene overeenkomst, wanneer zij niet op eene bepaalde afspraak met den oorspronkelijken werkgever steunt, aan gegronden twijfel onderhevig moet worden geacht, maar het is duidelijk, dat wanneer de arbeider recht heeft op loon, hij niet licht elders zal gaan arbeiden om het door dien arbeid verdiende loon feitelijk aan zijn oorspronkelijken werkgever af te dragen. Wat de slotwoorden betreft, uit den aard der zaak zal het zóó moeilijk zijn uit te maken, of inderdaad moedwil bestaat, dan wel, of de arbeider goede gronden had om de bedoelde verdiensten te weigeren, dat de toepasselijkheid van dit geval wel als denkbeeldig ter zijde kan worden gesteld.
Het
eerste
bevat eene tweede beperking van 1638$; het tijdloon loopt door, indien is, den bedongen arbeid te verrichten, doch de de werkgever daarvan geen gebruik maakt. Niet twijfelachtig is het, dat aldus moet beslist worden, indien het niet-gebruikmaken den werkgever als schuld kan worden geweten. Maar het is billijk, hetzelfde aan te nemen voor het geval dat de werkgever door toevallige omstandigheden, hem persoonlijk betreffende, van de diensten geen gebruik maakt. Men denke bijvoorbeeld aan een dienstbode of bediende, die geen arbeid heeft te verrichten, omdat zijn meester ziek of op reis is, of aan den werkman in een bedrijf, dat door den ondernemer wordt gestaakt, terwijl de dienstbetrekking nog niet is geëindigd. In verschillende wetgevingen vindt men eene opzettelijke bepaling in dezen geest 1), o. a. Saksisch Burgerlijk Wetboek, § 1239 (zie ook §§ 870 en 1235); Burgerlijk Wetboek van het Duitsche Rijk, § 615. Evenzoo ons Ontwerp van 1820, art. 2651, alwaar alleen de uitdrukking „gedane diensten" te eng is. De uitdrukking „hetzij door eigen schuld of zelfs tengevolge van hem persoonlijk betreffende toevallige verhindering", welke in art. 21 OntwerpDRUCKER en in art. 1638^ van het Regeeringsontwerp van 1901 voorkomt, schijnt den ondergeteekende onnoodig toe. Overeenkomstig hetgeen bij de toelichting van het vorige artikel is gezegd, is de regeling, welke daarbij voor den arbeider, wiens loon niet naar tijdruimte is vastgesteld, werd getroffen, voor het geval, waarin dit artikel voorziet, van toepassing verklaard. Art.
het
1)
1638^.
Dit
voorschrift van arbeider bereid
Ook
naar
artikel art.
Pandektenrecht werd aldus
beslist:
zie
Windscheid, Pandekten. Gefahrtragung
§ 401 nt. 7, en de daar aangehaalden bovendien Hachmeister, iïber Arrest Reichsgericht van 7 Dec. bei Arbeitsmiethe, Cassel 1887.
—
dungen
in
Civilsachen, III nr. 51.)
;
1880 {Entschei-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's