Sociale hervormingen - pagina 110
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I.
lOO
moet
zijn
werkman
over den
tijd,
voorafgegaan aan het tijdstip, waarop de is geworden. Bij de aanvrage om rente
blijvend invalide
dan onderzocht worden niet alleen of het aantal premieweken is, maar ook wanneer de werkman blijvend invalide is geworden het verzoek om rente wordt ontzegd, indien blijkt dat de verzoeker blijvend invalide was vóór hij zooveel premieweken kon hebben, als bij art. 31 voorgeschreven, en de werkman, die zich verzekerde terwijl hij reeds invalide was, trekt dus geen
zal
bereikt
;
voordeel
uit zijn
bedrog.
Waar
het in beginsel de voorkeur verdient de aanspraak op rente niet afhankelijk te maken van het tijdstip, waarop de werkman, die bij het aangaan der verzekering valide is, blijvend invalide is geworden, behoort de zaak echter niet in anderen zin geregeld te worden, indien het niet vaststaat dat daaruit belangrijke practische voordeelen voortvloeien. Dat dit het geval zou zijn^
meenen ondergeteekenden te moeten betwijfelen. De bepaUng zou dienst moeten doen tegen benadeeling door personen, die den ambtenaar of de commissie misleid hebben en die dus voort zullen gaan met, zooveel dit in hun vermogen is, de Bank te misleiden. Zij zullen zoo spoedig mogelijk 150 premiën betalen en zich niet onmiddellijk daarna met een verzoek om rente tot de Bank wenden maar eenige maanden wachten. De werkman wordt dan, opdat over de invaliditeit kunne worden beslist, geneeskundig onderzocht. In de meeste gevallen zal het niet mogelijk zijn met zekerheid uit te maken op welk tijdstip de werkman blijvend invalide geworden is. Het zou wellicht mogelijk zijn door den geneesheer, die den werkman behandeld had, te verplichten getuigenis af te leggen daargelaten dat een dergelijke bepaling niet strooken zou met het stelsel in art. 64, tweede lid der Ongevallenwet 1901 aangenomen, zou zij in vele gevallen den werkman er van terughouden zich onder behandeling van een geneesheer te stellen en zoodoende het ontstaan van blijvende invaliditeit in de hand werken. De Bank zou de werkgevers, in wier dienst de werkman gewerkt had, kunnen doen hooren op die wijze zou kunnen blijken, dat de werkman een zeer laag loon verdiend had en daardoor zou, in verband met het geneeskundig onderzoek, bewezen kunnen worden dat hij op een gegeven tijdstip reeds invalide was. Maar daaruit zou nog niet altijd volgen, dat hij toen blijvend invalide was. Allerlei ziekten kunnen eindigen met blijvende invaliditeit; wie bepaalt later, op welk tijdstip de werkman blijvend invalide is geworden, d. i. op welk tijdstip er geen vooruitzicht meer was op herstel der arbeidskracht? En de wet zou nooit zoover kunnen gaan den verzekeringsplicht te doen ophouden bij tijdelijke invaliditeit: de werkman, die mazelen of roodvonk heeft, is in den zin van het ontwerp invalide. De Duitsche wet verklaart dan ook niet-verzekeringsplichtig den werkman, die blijvend invalide is (§ 4 wet 18S9 en § 5 wet 1899). ;
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's