Sociale hervormingen - pagina 63
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
53 lingen niet als dwingend recht te worden gesteld voor personen die tegenover
den werkgever eene meer zelfstandige
nemen, zoodat
te
positie in-
hunnen aanzien contractueele afwijking wordt
1637 u Üd. 4, 1638 q, lid 2 en 1638 s, lid 4). punt zal men hieronder en bij de artikelen nader toegelicht vinden. Hier worde alleen opgemerkt, dat tegen deze bijzondere bepalingen de bezwaren niet kunnen gelden, welke hierboven tegen de in buitenlandsche wetten voorkomende onderscheidingen werden aangevoerd. Immers het verschil loopt hier niet over den geheelen inhoud der regeling, maar slechts over enkele speciale artikelen, terwijl en hierop moge de nadruk vallen de grenzen dezer beide categorieën zeer gemakkelijk aanwijsbaar zijn. De algemeenheid der regeling vordert, dat tot aanduiding der partijen twee woorden van algemeene beteekenis worden gekozen. De gebruikelijke uitdrukkingen huurder en verhuurder van diensten passen niet bij het begrip der overeenkomst, zooals het Ontwerp die opvat. Ze spreken bovendien in het geheel niet tot het publiek. De nieuwere Duitsche wetten stellen den Dienstverdinger, Dienstverdingender, Dienstverpflichteter aan den eenen, tegenover den Dingender, Dienstberechtigter aan den anderen kant. Navolging van dit spraakgebruik schijnt weinig aanbevelenswaardig. Den „meester" (artt. 1638 en 1639 Burgerlijk Wetboek) zal men niet willen behouden. Als algemeene namen komen hetzij die van arbeider en werkgever, hetzij die van arbeidnemer en arbeidgever het meest geschikt voor. Gekozen is de eerste terminologie, als meer overeenstemmende met het spraakgebruik en niet, op het voetspoor van Lotmar, de tweede. Het woord arbeider wordt wel is waar ook in beperkten zin gebruikt (arbeiderswoningen, arbeidersvraagstuk), doch het heeft in de taal evenzeer eene ruime beteekenis. Ieder die tegen loon voor anderen arbeid verricht, mag veilig met den naam „ arbeider" worden bestempeld. Tegenover den arbeider stelt het spraakgebruik, en in overeenstemming daarmede het Ontwerp, den werkgever. De beteekenis van werkgever is zóó gevestigd, dat geen gewicht behoeft te worden gehecht aan de subtiele opmerking, in het verslag der Belgische commissie voorkomende, dat de werkgever eigenlijk geen werk geeft, maar werk neemt, huurt of koopt 1). Dat de toegelaten
Het
(artt.
>
laatste
—
—
:
Eene
opmerking, betreffende de uitdrukkingen „arbeidgever" en beantwoordt Lotmar, t. a. p. bladz. 60, tegenover Engels als volgt: „Wenn man an diesem Sprachgebrauch anstössig findet, dass derjenige als Nehmer von Arbeit bezeichnet wird, der die Arbeit zu leisten verspricht, und derjenige als Oeber von Arbeit dem die Arbeit geleistet werden soll, so ist zu erwidern dass in den Zusammensetzungen „Arbeitnehmer" und „Arbeitgeber" das Wort „Arbeit" die Arbeitsgelegenheit bedeutet. Da derjenige, der die Arbeitsgelegenheit nimmt, im Arbeits,1)
gelijksoortige
„arbeidnemer"
vertrag Arbeit zusagt,
den Entgelt
und
deq'enige, der die Arbeitsgelegenheit giebt
zusagt, so lassen sich die obigen
vertrags rechtfertigen."
im Arbeitsvertrag
Bezeichnungen der Parteien des Arbeits-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's