Sociale hervormingen - pagina 147
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
203
wordt dan afgeleid, dat de arbeider bij het sluiten der overeenkomst in de meeste gevallen in ongunstiger positie verkeert dan de werkgever. De bedoelde leden konden de juistheid van de gemaakte gevolgtrekking niet toegeven zij merkten op, dat omtrent den werkgever een dergelijk betoog met evenveel grond zou kunnen worden gevoerd. Ook van zijne machines en zijne verdere bedrijfsinrichtingen zou immers kunnen worden gezegd, dat zij geen dag onaangewend kunnen blijven zonder dat haar arbeid te gelijk gedeeltelijk is verspild en dat de arbeid van heden niet na heden nog kan worden verkocht, omdat hij morgen zal hebben opgehouden te bestaan. Op de bijzondere eigenschappen van deze arbeidskracht, zou men dan de stelling kunnen doen rusten, dat de werkgever bij het sluiten der arbeidsovereenkomst in ongunstiger positie kan verkeeren dan de arbeider; daargelaten nu, of men hier juist aan deze stelling heeft te denken, wel staat vast, dat in sommige bedrijven de positie der werkgevers somtijds uiterst zwak is. Vele andere leden daarentegen achtten het in de Memorie van Toelichting gevoerde betoog omtrent de positie van de beide bij de arbeidsovereenkomst betrokken partijen althans in hoofdzaak juist. Daargelaten of de arbeid, dien de arbeider op de verkeersmarkt aanbiedt, als „waar" zoo groote eigenaardigheden vertoont en zich van alle andere „waren" zoozeer onderscheidt, als in de Memorie van Toelichting wordt beweerd, wordt daar te recht de aandacht gevestigd op de omstandigheid, dat wie van het verkoopen van zijn handenarbeid moet bestaan, in den regel niets anders heeft dan dezen arbeid om van te leven. Op grond voornamelijk van deze omstandigheid, meende men dezerzijds de juistheid te kunnen toegeven van de uitspraak in die Memorie, ;
dat bij de arbeidsovereenkomst zich het verschijnsel voordoet, dat in den regel dezelfde partij, namelijk de arbeider, de zwakste is.
Eenige leden verklaarden niet te kunnen goedkeuren, § 5. dat in dit ontwerp de regeling van het arbeidscontract is opgezet als civielrechtelijke regeling en tot den civielrechtelijken kant van het vraagstuk bijna geheel beperkt is gebleven. De Minister moge al in de Memorie van Toelichting verklaren, dat de ontwerper ook van een privaatrechtelijk gedachte regeling bij eiken stap, dien hij doet, zich behoort te herinneren, dat de arbeidsovereenkomst in de eerste plaats is eene sociale overeenkomst; naar zij meenden, is het niet mogelijk dit in het oog te houden, waar deze regeling moet worden ingevoegd in een wetboek, waarvan de grondgedachte is de gelijkheid van de bij een contract betrokken partijen, en is het dan ook niet gelukt in dit ontwerp sociaal recht tot stand te brengen. Het vraagstuk der arbeidsovereenkomst omvat nu eenmaal onderwerpen, als daar zijn de gedwongen winkelnering, de bescherming van het recht der arbeiders tot vereeniging en vergadering, het opnemen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's