Sociale hervormingen - pagina 226
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
2Ü2
hebben. Men dacht hier bijv. aan het geval, dat ten gevolge van de dienstbetrekking een uit zedelijk oogpunt af te keuren verhouding ontstaat tusschen de arbeidster en den werkgever of een van diens huisgenooten of ondergeschikten. Sommige leden konden zich er niet mede vereenigen, dat hier aan den echtgenoot de bevoegdheid wordt toegekend, de arbeidsovereenkomst, door zijne vrouw aangegaan, ontbonden te doen verklaren niet alleen wanneer daarvan gevaren dreigen voor het huisgezin, maar ook, wanneer van den bedongen arbeid nadeelige gevolgen zijn te duchten voor de vrouw zelve. Nu aan de echtgenoote van een arbeider niet eene dergelijke bevoegdheid is toegekend, achtten deze leden het hier aan den echtgenoot ingeruimde toezicht over de persoon van zijne vrouw in strijd met het beginsel der gelijkheid tusschen man en vrouw in het huwelijk, dat de Minister blijkens de op art. 1637 i gegeven toelichting voorstaat en drongen zij daarom aan op weglating van de woorden in het eerste lid: „hetzij voor zijne vrouw zelve, hetzij." Enkele leden gaven in overweging, het slot van het eerste lid te doen luiden: „de opheffing der dienstbetrekking uitte spreken" en niet zooals wordt voorgesteld: „die arbeidsovereenkomst ont-
bonden
te verklaren."
Sommige
waren van
oordeel, dat het te ver gaat den wordt voorgesteld, voor te schrijven, in alle daar bedoelde gevallen het verzoek niet in te willigen. Mogelijk is het immers, dat ook ingeval de man de gemeene woonplaats heeft verlaten of hij een slecht levensgedrag leidt, desniettemin zijne in het verzoekschrift neergelegde meening den rechter niet ongegrond voorkomt. Daarom zouden deze leden voor deze gevallen het aan 's rechters oordeel willen hebben overgelaten, of het verzoek al dan niet moet worden ingewilligd. Opgemerkt werd, dat de uitdrukking in het laatste lid „het slot van art. 99 der wet enz." verduidelijking eischt.
leden
rechter, zooals in het derde lid
:
Art. 1639 - Men wees er op, dat onderscheidene van de opmerkingen ten aanzien van het vorige artikel gemaakt, ook hier geheel of ten deele van toepassing moeten worden geacht; men vertrouwde, dat de Regeering dit in het oog zal houden, ook waar deze opmerkingen niet worden herhaald. Gevraagd werd verder, of het niet billijk ware tegenover den werkgever, die blijkens het 2de lid zal worden opgeroepen, niet den rechter van het kanton, waarin de plaats van het werkelijk verblijf des minderjarigen gelegen is, maar dien aan het kanton, waarin des werkgevers woonplaats gelegen is, aan te wijzen voor het nemen van de hierbedoelde beschikkingen. Van andere zijde merkte men op, dat deze quaestie van vrij ondergeschikt belang is, mits maar op zoo duidelijke wijze een rechter worde aangewezen, dat de ondankbare geschillen over bevoegdheid worden voorkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's