Sociale hervormingen - pagina 25
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel I. Stuk II.
;
287
voor den man, met wien de overledene ten tijde van het b. ongeval gehuwd was, indien deze zijn kostwinner was, tot zijnen dood of zijn opvolgend huwelijk zooveel als de overledene in den regel tot zijn levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan dertig percent van haar dagloon;
voor elk wettig kind van den overledene vijftig percent, kind ouderloos is of wordt, twintig percent, van het dagloon van den overledene; c.
en, bijaldien dit
voor elk natuurlijk kind, dat door den overledene wettiglijk d. erkend was ten tijde van het ongeval, vijftien percent, en, bijaldien dit kind ouderloos is of wordt, twintig percent van het dagloon van den overledene; voor de ouders of bij ontstentenis van deze voor de groote. ouders van den overledene, indien deze hun kostwinner was, zooveel als hij in den regel tot hun levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan dertig percent van zijn dagloon en wel tot den dood van den langstlevende voor elk ouderloos kleinkind van den overledene, indien /, deze zijn kostwinner was, zooveel als hij in den regel tot diens levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan twintig percent van zijn dagloon;
voor de schoonouders van
den overledene, indien deze den regel tot hun levensonderhoud bijdroeg, doch niet meer dan dertig percent van zijn dagloon en wel tot den dood van den langstlevende; het recht voor de schoonouders op rente of voorloopige rente houdt eveneens op in de gevallen, bedoeld onder i en 2 van artikel 377 van het Burgerlijk Wetboek. g.
hun kostwinner was, zooveel
als hij in
Artikel 63.
Indien de in het vorige artikel onder a bedoelde weduwe een huwelijk aangaat, houdt zij op rentetrekster te zijn, maar zij ontvangt als afkoopsom harer rente een bedrag in eens gelijk staande met tweemaal hare jaarrente. Deze bepaling geldt eveneens voor den weduwnaar, bedoeld in het vorige artikel onder b. Artikel 61. of kleinkind trekt de hem toegekende rente of voorloopige rente tot zijn voleindigde zestiende levensjaar.
Een kind
Artikel 65.
De renten of voorloopige renten toegekend aan de personen, bedoeld in artikel 62, zullen te zamen niet meer bedragen dan zestig percent van des overledenen dagloon met dien verstande,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's