Sociale hervormingen - pagina 169
voorstellen van wet door het ministerie-Kuyper bij de Staten-Generaal ingediend. Deel II.
225
Sommige
leden hadden tegen de bepaling van het bedenking. Naar zij meenden, zijn er streken in ons land, waar naar plaatselijk gebruik de vraag of partijen bevoegd zijn, door opoffering van den godspenning van de overeenkomst terug te treden, in bevestigenden en dus in aan het ontwerp tegenovergestelden zin wordt beantwoord. Al wilden deze leden nu geenszins ontkennen, dat er voor de tegenovergestelde beslissing, die het ontwerp in overeenstemming met ons oude recht, met art. 1500 van het Burgerlijk Wetboek en met de meeste nieuwere, speciale en algemeene, buitenlandsche wetten geeft, veel te zeggen valt, zij vreesden daarvan verwarring en rechtsonzekerheid in de bedoelde streken, waar eene andere opvatting de heerschende is. Waarom, vroegen zij, aan deze bepaling niet een rekbaren inhoud gegeven door verwijzing naar het plaatselijk gebruik, als op meerdere plaatsen in het ontwerp is geschied? Tegenover deze bedenkingen werd er door anderen de aandacht op gevestigd, dat het ontwerp deze bepaling niet tot dwingend recht verklaart en dus afwijkende regeling toelaat. Art. 1637^.
eerste
lid
van
dit
artikel
Art. 1637 f. Verscheidene leden waren geenszins ingenomen met deze bepaling, waarbij aan de gehuwde vrouw de bevoegd-
wordt toegekend
als arbeidster eene arbeidsovereenkomst geheel onafhankelijk van de toestemming of den bijstand van haren echtgenoot. Zij achtten het over het algemeen niet gewenscht, dat de gehuwde vrouw buitenshuis in fabriek of werkplaats arbeid verricht en vreesden daarvan voor haar zelve en voor het huisgezin nadeel, waartegen huns inziens de echtgenoot met de hem in art. 1639 n gegeven macht niet ge-
heid
aan
te
gaan,
noegzaam
zal vermogen te waken. Enkele leden vestigden de aandacht op het denkbeeld, dat geopperd in het rapport-arbeidscontract van het Centraal is Bestuur van den Nederlandschen Roomsch-Katholieken Volksbond opgenomen in De Volksbanier, orgaan van dien Volksbond, van 31 Maart jl. om voor de gehuwde vrouw art. J 637 g van toepassing te verklaren en haar ten aanzien van het aangaan van arbeidscontracten met een minderjarige dus
—
-
—
gelijk te stellen.
Tegenover de leden, die tegen de bepaling van dit artikel bezwaar hadden, stonden vele anderen, die zich daarmede wel konden vereenigen. Men moge het betreuren, dat nog in zoo vele gevallen gehuwde vrouwen arbeidsovereenkomsten aangaan, en dat dientengevolge toestanden in het leven worden geroepen, die voor het gezinsleven nadeelig moeten worden geacht, men zal daaraan niet kunnen veranderen door in dit ontwerp eene bepaling, als dit artikel bevat, niet op te nemen. Als tot dusverre zal dan de practijk den krachtens de wet noodzakelij ken bijstand des mans in dit opzicht slechts uiterst zelden recht doen II.
15
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1905
Abraham Kuyper Collection | 610 Pagina's