Om de oude wereldzee - pagina 167
I. Het Aziatisch gevaar. Rumenië. Rusland. De Zigeuners. Het Joodsche probleem. Constantinopel. Klein Azië. Syrië. Het Heilige Land.
RUSLAND.
151
het toegewezen land verboden was, anders zou ongetwijfeld na weinig jaren het meeste boerenland in handen van den kapitalist zijn over-
Maar ook al was dat gevaar afgewend, wie in handen van den koelak viel, was het kind van de rekening. Deze koelaks waren een soort kleine renteniers, die in het dorp zelf woonden en in het bezit van althans kleine sommen gereed geld waren gekomen. Doch gegaan.
juist
zulke
kleine
en
onder;
sommen 1879
waren
daarbij
meestal
zijn
ze
sluw genoeg
maar
nooit aan den enkelen boer,
uitgestudeerde woeke-
om
om
eenigszins grootere
steeds alleen aan de Mir
Zoo waren de boeren van Bashkir
leenen.
te
kapitalisten
en de koelaks deden in wreedheid van uitzuigen voor niemand
raars,
in
den winter van
geld verlegen, en gaven daarom graan in pand, tegen voor
pud (40 pond) 20 kopeken doch in den herfst kregen ze hun pud terug tegen betaling van 12 roebel 20 kopeken per pond, makende alzoo een interest van 500 % over een tijdvak van
elk
;
Soms klom de woeker nog hooger. Volgens de Golos, n". 113, 1882, zou in de dorpen Usman en Karmel}^, zekere koelak, genaamd Rvanzeflf, er zelfs in geslaagd zijn, voor een geleende som van 1019 roebels terugbetaling te bedingen van 8
maanden.
20.895
roebels.
boeren
de
Bij
op
de
was
domeingronden
de
ook de lieden die in persoonlijken dienst waren geweest, en nu vrije knechten en dienstboden waren gewortoestand
veel
verkeerden
den,
en
beter,
in
meer gewenschteu toestand; maar de
eigenlijke
landbevolking geraakte in al pijnlijker conditie, vooral toen in vier niet zoo ver uiteenliggende jaren
nood veroorzaakte, en landbezit
al
gelukkiger
maar
hij
bij
krapper werd.
gevoelde
dan in
begon zich af
misgewas
in groote streken hongers-
gestadige toeneming van de bevolking het
Niet alleen dus dat de boer zich niet zijn
vroegeren staat van lijfeigenschap,
te vragen of
hij
als lijfeigene er niet
wèl zoo
gelukkig aan toe was geweest, en dat te meer wijl de landheer, die
vroeger
zijn
overliet; iets
natuurlijke
beschermer was,
waarvan niet
hem
alleen de woekeraar,
thans aan
zijn lot
maar ook de
politie
en lagere bureaucratie-ambtenaren vaak stuitend misbruik maakten. Schoone idealen van toekomstig geluk had hij
had zich daarin gedroomd, en
de intrede van bitter
was
als
een paradijstoestand
zijn teleurstelling.
men hem
voorgespiegeld,
door een wonder van Boven
tegemoet gezien,
—
en zóó
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1907
Abraham Kuyper Collection | 590 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1907
Abraham Kuyper Collection | 590 Pagina's