Om de oude wereldzee - pagina 317
I. Het Aziatisch gevaar. Rumenië. Rusland. De Zigeuners. Het Joodsche probleem. Constantinopel. Klein Azië. Syrië. Het Heilige Land.
HET JOODSCHE PROBLEEM. Deut. 23
dat een vreemdeling, die uit het land van
3,
:
293
Moab kwam,
,,tot in het tiende geslacht",
ook
al
was
Ammon
hij
of van
besneden, het
recht van lidmaatschap in de politiek-religieuse Kahal niet kon erlangen,
hun vrede en hun best niet zoeken, eeuwigheid." De Edomieten en Egyptenaren mochten,
en er wordt bijgevoegd al
uwe dagen
in
,,Gij
:
zult
na tot de Joodsche
religie te zijn
maar hun kinderen
eerst in het derde geslacht (vrs. 8). Prof. Dr. Frans
Buhl heeft
in
zijn
„Die
sociale
overgegaan, wel in de Kahal komen,
Verhültnissen der Israëlieten (Berlin
1899) de positie der Gerim in den Joodschen Volksstaat
komt
historisch toegelicht, en
met
veel zorg
daarbij tot de conclusie, dat wie geen
volledig proselyt werd, en zich niet besnijden liet „in rechtlicher
Beziehung
religiöser (blz.
Het
51).
men
indien
24
Lev.
:
ausserhalb
daarom,
is
zich
Deut. 10
22,
der Jüdischen Gemeinschaft stand"
als geheel onvolledig, ten
van Joodsche :
und
zijde
eenenmale onjuist,
voortdurend op Numeri 15
:
5,
19 en andere uitspraken in de Thorah be-
roept, ten bewijze dat de Gerim in Israël datgene bezaten,
wat de Joden
onder ons thans voor zich verlangen. Het beroep op deze uitspraken zou
dan gelden, zoo
alleen
zij
begonnen met
zich te laten doopen, doch in
dit geval bezitten ze alle rechten. Gelijke civiele
werden aan de heidenen,
Van
en burgerlijke rechten
die heidenen bleven, door de
Thorah allerminst
was in Israël de nu nog nawerkende tegenstelling tusschen de Jm, het uitverkoren volk, en de Goitn die God niet kennen. Deze laatsten waren geen Gerim, maar iVó^n',
toegekend.
ingrijpende beteekenis daarentegen
en ten hunnen opzichte nu werd de practische onderscheiding
als regel
men wel woeker mocht nemen vandeNokri, maar niet van den Jodengenoot. Deut. 23 20 zegt uitdrukkelijk: Van de Nokri, d.i. den vreemdeling, ziüt gij woeker nemen, maar van uwen broeder zult gij
ingevoerd, dat
:
geen woeker nemen. Een bepaling waarmede dan weer samenhangt deze andere bepaling van Deut. 15:6: ,,Gij zult aan vele volken leenen, maar gij zult
Het
niet ontleenen;" een regel in Deut. 28 12 :
nog plechtiger herhaald.
deze bepalingen, die nu nog, vooral in het Oosten, voor de Joden het besef levendig houden, dat de volkeren, in wier midden zij wonen, beneden hen staan, en dat de zedelijke verplichtingen die
voor
zijn
hen gelden ten opzichte van hun stamgenooten, niet evenzoo
gelden tegenover de uiet-Joden.
Westen moge der
Bij
vele ontwikkelde Joden in het
dit besef allengs geheel zijn uitgesleten, bij
Joden die in het Oosten
huist, leeft het
de groote massa
nog onverzwakt
voort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1907
Abraham Kuyper Collection | 590 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1907
Abraham Kuyper Collection | 590 Pagina's