Parlementaire redevoeringen - pagina 256
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
254 was,
geschreven had
die
gelijk hij schreef bij
De vraag rees daarom
aan de beslissing voorafging. of dat ook weerwraak
is.
de stembus, die
Heb
in
gisteren
1897 mij,
bij
1897 mij veroorloofd, op
ik wellicht in
den boog een pijl te leggen, en daarmede op hem te mikken, een pijl, waaraan iets kleefde, dat hem recht gaf, alzoo tegen mij op te treden? Ik heb, thuis gekomen, mijn rede van 1897 nog eens opgeslagen en ik wil niet ontveinzen, dat het mij zekere zelfvoldoening gaf,
bevinden,
te
ik in geen enkel opzicht
dat
uit
het lezen
bij
den correcten en
juisten
vorm was gegaan. Die geachte afgevaardigde heeft terecht opgemerkt, dat het moeilijke probleem voor dit Kabinet ongetwijfeld gelegen zou zijn in de finantieele quaestie. Voor zijn becijfering van een totaal van 30 millioen meer,
werden door hem geen bijzondere opgaven verstrekt. Maar wat ik mij toch veroorloof op te merken, is, dat eene min of meer scherpe van het Kabinet, wat aangaat de finantieele plannen, mij uit den mond van een afgevaardigde, die zitting
beoordeeling
vreemd klonk
eenigszins heeft
gehad
Finantiën
een
in
Kabinet,
waarvan
gedaan heeft:
dingen
drie
in
de
toenmalige
de directe belastingen niet voor verhooging vatbaar waren plaats
verhooging van het gedistilleerd
plaats
herziening van het tarief
van
Minister
de eerste plaats verklaard, dat in
;
en
in uitzicht gesteld,
de tweede
in
opgenomen onder de plannen,
de derde die
hem
de finantieele moeilijkheden redden moesten.
uit
breng mijn dank aan den geachten afgevaardigde
Ik
voor de
den heer Drucker, zijn
correcte wijze,
strikt
houding tegenover de Regeering heeft omlijnd.
vaardigde deed mij,
naar
aanleiding
van
hetgeen
uit
waarop
Groningen, hij
gisteren
Die geachte afge-
door
mij
was op-
gemerkt over de strekking en de bedoeling van de Speetwet, de vraag, of de handhaving van het gezag metterdaad voor dit Kabinet een kenteekenende karaktertrek kon zijn. Hij vergunne mij, daarop te antwoorden, dat er eene beschouwing is, die het gezag laat opkomen hetzij uit den mensch, hetzij uit het samenstel der dingen, maar ook eene andere beschouwing, die het gezag
En nu zou verstaan
ik willen vragen, of
kan,
moet
wie die laatste beschouwing deelt,
dat
wie de eerste
prijsstellen.
niet juist
De
was, wat
behandeling
van
waaraan de
actie,
erkend,
dit
dat
hij
in
opwellen
uit
heiliger bron.
juist
op handhaving van het gezag
geachte afgevaardigde heeft erkend, dat metterdaad in zijn eersten termijn gepleit had, nl. dat bij
hij
de
laat
ook niet, in mijn plaats zich stellende, beschouwing is toegedaan, meer dan
Speetwet
die reactie
de
Eerste
de
de Regeering geen anker gelegd had,
Hij heeft keeren moest, kon vastliggen. Kamer wel geschied is. Maar, zeide
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's