Parlementaire redevoeringen - pagina 620
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
618 zal
toestemmen,
dat,
wanneer
ik dergelijke excessen
bemerk, het
niet
op mijn weg ligt, althans niet als Minister, daarin mede te gaan. Ik wensch ook in deze een gematigd en gezond standpunt in te nemen. Dit neemt intusschen niet weg, dat ik bereid ben, nogmaals de inspecteurs van het middelbaar onderwijs en de gymnasia te vragen om een nauwkeurig rapport van hetgeen in dit opzicht geschiedt. Ik zeg dus niet, dat ik al wat geschiedt zal stuiten, maar dat ik eene poging zal wagen,
Maar ik moet mij de accuraat achter te komen, wat plaats heeft. opmerking veroorloven, dat de heeren, die mij steunen en pousseeren, wel zoo goed zouden doen, hetzij in het openbaar debat of door onderhandsche mededeeling aan het Departement, mij, met opgave van naam Dat is de weg en toenaam, met ergerlijke feiten in kennis te stellen. om misbruiken te keeren; gaat men dien niet op, dan wordt het ontzaglijk Natuurlijk wordt er moeilijk, te onderzoeken, of er misbruiken zijn. mededeeling gedaan aan den inspecteur, maar als die komt, dan doet zulk een man, die er vroeger het handje van had, de verboden dingen gauw weg, zoodat de inspecteur niets ziet. Daarom is de goede weg, dat de heeren zelf mededeelen, welke feiten er hebben plaats gehad. De heer Van Idsinga heeft bedenkingen geopperd tegen de laatste zinsnede van de Memorie van Antwoord, op deze paragraaf betrekking hebbende, omdat ik daar eene poging had gewaagd, om hetgeen verder in deze zaak te doen was, van mijn schouders te laten glijden. De geachte ^'afgevaardigde, die zelf het Departement van Binnenlandsche Zaken genoegzaam kent, zal zich kunnen voorstellen, dat zulk eene neiging bij den Minister niet zoo onnatuurlijk is. Hoe langer hoe meer komt hetgeen vroeger bij Justitie behoorde arbeidszaken, Drankwet en allerlei andere zaken aandringen naar Binnenlandsche Zaken. Bij het Departement van Justitie ik zeg niet bij den tegenwoordigen Minister, maar bij het Departement bestaat al lang de neiging, dergelijke onderwerpen niet onder zijn bescherming te nemen, maar ze te dringen naar het Departement van Binnenlandsche Zaken, zoodat ik van mijn zijde ook zeer geneigd ben, al wat ten deze verder gedaan moet worden, naar het Departement van Justitie te adresseeren. Maar als de geachte afgevaardigde zegt, dat dit onderwerp behoort geregeld te worden bij de strafwet, dan begrijp ik dat ten volle; dat zou op dit oogenblik het meest doeltreffende zijn, want wat in Engeland en andere landen op andere wijze geschiedt, maakte wel vertoon, maar het heeft geen uitwerking gehad. Alleen maar, wanneer eene bepaling in de strafwet moest worden opgenomen, zou dat toch niet zoo gemakkelijk zijn, omdat noch het object der vivisectie, noch de personen, aan wie het geoorloofd zal zijn, die er
—
—
—
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's