Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Parlementaire redevoeringen - pagina 572

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Parlementaire redevoeringen - pagina 572

Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.

2 minuten leestijd

ZITTING 1903—1904.

570 van haar, eene enquête pers schuldig

te zijn, dit

in

te

Ik

stellen.

meen daarom aan de

denkbeeld van den heer Troelstra terug

eer der wijzen.

te

geachte afgevaardigde, de heer Borgesius, heeft het wat vreemd

De

dat ik mij meer dan eenmaal heb beroepen op hetgeen gewas door vorige Kabinetten. Hij houde mij ten goede, dat dit verwijt niet moet gericht worden tot mij, maar tot het Voorloopig Verslag, of liever tot hen, die ook in deze vergadering naar het vorig Kabinet hebben verwezen. Ik meen, dat men zóó niet spreken mag,

gevonden,

daan

nu men

zelf in het

derde jaar aan deze Regeering den maatstaf van het

vorig

Kabinet

nuïteit

van het Regeeringsbeleid

Steeds heb ik mij, waar het de conti-

heeft aangelegd.

betrof,

zoo correct en kiesch mogelijk

over het vorig Kabinet uitgelaten. Maar als men ons met dat Kabinet vergelijkt, wil ik over die vergelijking ook op mijn wijze oordeelen. heeft de geachte afgevaardigde

Voorts

zoo denk over het volksleger

nu van dien aard daarvan

stelling

voegen, achten

zijn,

en nu moet

kwam

indiende,

er

uitlating

vroeger; maar dat de omstandigheden

als

dat ik het ongeoorloofd

over

thans

gaan.

te

ik mij

Ik

zou achten,

tot

wensch er nog

dit

de bij

weer eens op het Kabinet van den

beroepen

afgevaardigde

gesproken over mijn

Ik heb gisteren gezegd, dat ik thans nog juist

in zake het volksleger.

in-

te

ge-

toen zijn Kabinet eene Militiewet

:

geen volksleger

in voor.

Mocht de geachte

afge-

Zutphen eens ten tweedenmale Minister worden, dan zou ik wel eens willen weten, of hij dan onder de tegenwoordige omstandigheden daartoe zou overgaan, wanneer hij kon vermoeden, dat de invoering van een volksleger er toe zou kunnen leiden, dat aan de twee deelen van ons volk het geweer in handen werd gegeven, om in een burgeroorlog het ééne deel tegen het andere te doen optrekken. Zou de geachte afgevaardigde dat aandurven? Laat eerst onze bevolking, ook met zijn hulp, eenigszins tot rust worden gebracht; laat het gevaar voor zulke oproerige bewegingen eerst wijken, dan zal hij mij weer zien optreden vóór het volksleger .... vaardigde

uit

(De heer 1901

Goeman Borgesius: Niemand kon

onmiddellijk een

volksleger

van Oorlog èn de afgevaardigde het

in

uit

te

er aan denken, in

voeren, want èn de Minister

Sliedrecht verklaarden beiden, dat

volk daarvoor eerst geschikt moest worden gemaakt door voorbe-

reidende volksoefeningen.) Als niemand in het

nog zoo

is,

Kabinet er toen aan denken kon, en die toestand dan moet er toch voor één man eene uitzondering gemaakt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's

Parlementaire redevoeringen - pagina 572

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908

Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's