Parlementaire redevoeringen - pagina 582
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
580
echter langzamerhand de toestand zoo
geworden
is,
dat
men van
lieverlede
den regel moet gaan nemen personen, die geen middel van bestaan hebben en door het samenkoppelen van de betrekking van burgemeester met die van secretaris zich een dorpsbestaan weten te verschaffen, komt in
men
de ongelegenheid, dat die menschen,
in
betrekking verliezende, niet
op zekeren
meer zouden kunnen
leven.
het mij goed voor, niet die gevallen alle af te wachten,
leeftijd
hun
Daarom kwam maar
bij
circu-
aan de Commissarissen der Koningin te doen weten, dat het mij aangenaam zou zijn, zoodra een zekere grens van leeftijd bereikt was,
laire
mogen vernemen, hoe
te
met den physieken en psychischen
het
stand van de candidaten gesteld was. Ik heb dat opzettelijk gedaan
vingerwijzing
eene
er op bedacht
zij
te
om
geven aan de tegenwoordige burgemeesters, dat
moeten
dat, wanneer hun jaren al te ver voortambt voor hen niet een vaste regel kan zijn.
zijn,
schrijden, het blijven in het
De
toe-
geachte afgevaardigde, de heer Schaper, heeft enkele burgemeesters-
benoemingen besproken, o. a. de niet-herbenoeming van den burgemeester te Midwolda, en de benoeming van den heer Dijkhuis. Ik kan hierop den geachten afgevaardigde mededeelen, dat de Commissaris der Koningin, voordat deze herbenoeming aan de orde kwam, mij schreef, dat zijns inziens de toenmalige burgemeester niet meer voor benoeming aanmerking kon komen, dat die burgemeester vroeger flink en ijverig was geweest, maar dat hij in den laatsten tijd zóó inzonk, dat het be-
in
hem
meer kon worden toevertrouwd. „In 1900", zoo schreef de Commissaris, „is hij door de provinciale griffie geïnterpelleerd moeten worden over verzuimen 25 maal en heeft hij 26 aanmaningen ontvangen; in 1901 ontving hij er 20, in 1902 23 en in de eerste maanden van stuur
dit
den
weer 7. In den herfst van verleden jaar, bij het heervan roodvonk in de gemeente, heeft hij aan de adviezen van
jaar
schen
niet
reeds
inspecteur
tusschenbeide
der volksgezondheid geen gevolg
heb moeten komen en
beleid te dier zake te
gegeven,
zoodat ik
hem heb medegedeeld,
dat
zijn
wenschen had overgelaten."
De Commissaris der Koningin heeft dus gezegd: ik kan dien man niet meer voor herbenoeming voordragen. Toen de tijd voor eene nieuwe benoeming daar was, heeft hij mij geschreven, dat hij voorstelde alscandidaatden heer Dijkhuis,
lid
der Provinciale Staten, en
gunstigste getuigenis
af.
En wat
daarbij
hij
kwam
legde omtrent dien
man
het
was, dat de heer Dijkhuis de
eenige candidaat was. Het was dus moeilijk, af die
ook
te wijken van de aanbeveling, door den Commissaris der Koningin was ingezonden. Ik geloof dan niet,
dat het hier gebeurde
ook maar eenigszins samenhangt met
het
standpunt, van waaruit de geachte afgevaardigde deze zaak heeft besproken
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's