Parlementaire redevoeringen - pagina 420
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
418
waken hebben voor het belang van de miliciens, in zooverre, dat hun geen meerdere last worde opgelegd dan de Staten-Generaal goedvinden. Vraagt men, op welke wijze die bedoeling
en de
in het artikel is
aangegeven
komt, dan staan twee opinies tegenover elkander. Eenerzijds meening van de heeren van de linkerzijde, die gesproken hebben, uiting
tot
en die eenparig het gevoelen voorstaan, dat de Staten-Generaal bekrachtigen moeten, goed moeten keuren datgene, wat door de Regeering verricht onjuist
Daartegenover
is.
staat
de meening van
van bekrachtiging sprake
is,
maar
van een
alleen
gelegd, en eene bevoegdheid, aan de Regeering blik
af,
mij, die dat
gevoelen
als
verwerp, overmits ik volhoud, dat er noch van goedkeuring, noch
dat die
wet
in het
Staatsblad
te
last, op de miliciens geven van het oogen-
staat.
Zoo staan dus twee opinies tegenover elkander. En waar de heer Mees dezen morgen gesproken heeft van een „ziekelijken waarheidszin", dien ik zou voorstaan, eene uitdrukking, die mij uit den mond van
—
—
zoo zou ik te zijnen opzichte waarheidszin". Ik geloof daar„verzwakten kunnen spreken van een mede het verschil, dat tusschen hem en mij bestaat, juist te hebben dien geachten afgevaardigde leed doet
doch
aangegeven;
psychologische
na
zooeven
beschouwingen,
het
meen
,
gevaar ik
te
beter
voorbeeld van dien geachten afgevaardigde
niet
hebben te
ten
ingezien
van
doen, mij door het
tweeden male op
psychologisch terrein te laten verlokken.
men van het Engelsche van eene vrouw een man kan maken, zoo zeg ik ook, dat de Staten-Generaal met al hun macht nooit van een futurum een preteritum kunnen maken. En daarop komt het hier aan. Wat in art. 110 staat is een futurum; dat wil zeggen: het doelt op het doen blijven onder de wapenen van wie in dienst zijn, waartoe de
De
Staten-Generaal kunnen veel, maar evenals
Parlement
zegt, dat het nooit
bevoegdheid aan de Regeering gegeven wordt op het oogenblik, dat de van het verleden, van wat tot stand komt. Maar dit blijft vaststaan
wet
:
met geen enkel woord sprake. Zeer goed is het mogelijk, dat men, het artikel met den bril der fictiën beziende, eindelijk tot eene fictie komt, waarbij datgene, wat niet werkelijk en wezenlijk is, ophoudt onwaarheid voor eigen besef te zijn.
achter de wet
ligt,
is
in
het artikel
Door den heer Borgesius is, meen ik, de uitdrukking „zijn gebleven" Doch dit kan niet anders. Immers op het standpunt van de
gebezigd.
wetsontwerp willen trekken wat er achter ligt, Wanneer men echter te doen heeft met een wetsontwerp, dat gebonden is aan art. 10 en met een wetsontwerp, afgeleid uit een artikel, dat alleen over het futurum handelt, dan kunnen heeren,
die
behandelen
onder
zij
het
het
verleden.
1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's