Parlementaire redevoeringen - pagina 634
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
632
belet niet, dat wij gezamenlijk
Het
meen
is,
niet in
ik,
te
kunnen
zien, dat
staan tegenover eenzelfde kwaad.
eene dergelijke uniformiteit
positief
van een verkeerden weg. moet erop gewezen worden, dat men nu krijgt, zooals in de Memorie van Antwoord gezegd is, boeken met ver voortgezette keur. Omdat het hier een klein aantal boeken geldt, moet bij die keur zeer ernstig worden nagegaan, welk boek men al of niet moet opnemen, en juist in die ver voortgezette keur ligt eene zeer zijn het inslaan
zou
derde
de
In
plaats
sterke
aanbeveling.
daarin
op,
opdat
Wat men gelezen
het
in
neemt men
die bibliotheken plaatst,
worde.
En nu
—
—
geef ik toe,
de heer
dat ik eerst een heel eind Ter Laan had daarin volkomen gelijk vooruit heb moeten loopen en nu in de Memorie van Antwoord eene schrede op mijn pad ben teruggekomen. Maar zoo moet men handelen bij elk onderzoek. Wanneer men een kwaad ontdekt, moet naar alle zijden gezocht worden. Daarom zie ik metterdaad niet in, hoe men in
geval reden
dit
De
tot
Bos
heer
,
klagen zou hebben.
ook nog gevraagd, of het voor jongelui, die niet geraden is, hun phantasie levendig te bij mij allen weerklank vindt. Het is een van
heeft mij
wiskunde studeeren,
meest
houden.
Dit
de meest
te
jongelieden
Sciences
is
iets,
dat
betreuren omstandigheden, dat tegenwoordig een deel onzer uit
eene hoog ontwikkelde omgeving bijna uitsluitend
exactes
opgaan.
in
de
Dat hun phantasie moet worden levendig
stem ik daarom volkomen toe. Maar de geachte afgevaarwanneer hij tot de practijk van het leven teruggaat, moeten toestemmen, dat, wanneer men te doen heeft met jongelieden, die te eenzijdig in die sciences exactes worden opgeleid, men juist in die
gehouden,
digde
zal,
kringen de meest eenzijdige phantasie aantreft en er het meest geliefd vindt
de
van
soort
lectuur,
die
Antwoord heb geschreven, van de
realia,
wij afkeuren. is juist,
dat het
Wat
ik in
aanbrengen
de Memorie van bij
die jongelieden
de geschiedenis en de klassieken, wenschelijk
is.
De
heer
Ter Laan
heeft gedacht, dat ik wensch, dat die jongelieden Latijn en Grieksch gaan leeren, maar ik heb dat woord „klassieken" bedoeld in den meest algemeenen zin van klassieke litteratuur. Ik meen te mogen zeggen, dat,
wanneer men eene goede ontwikkeling nagaat, zooals die vroeger nu bij de Engelschen nog, bij de meest degelijke mannen voor-
overal, en
komt, die juist
later het
meeste karakter betoond hebben,
men
ontdekt, dat
de geschiedenis en de klassieke litteratuur de meeste stevigheid aan
hebben gegeven. De geachte afgevaardigde vergist zich dan wanneer hij meent, dat ik mij in dien zin zou hebben uitgelaten,
het karakter
ook, dat
die
jongelieden aan de wiskunde genoeg hebben; ik meen, dat
bij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's