Parlementaire redevoeringen - pagina 346
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
344
den raad, gaf als zijn gevoelen te kennen, dat de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij, toen zij eenmaal voor eene dienstweigering stond^ met de wet in de hand niet anders handelen kon, dan zij gedaan heeft. Hij, als Minister, heeft recht noch bevoegdheid om van deze wet dispensatie te
verleenen en
is
dus buiten
staat,
de Hollandsche IJzeren Spoorweg-
maatschappij van de wettelijke verplichting
te ontslaan.
Acht
zij,
onder
den drang der omstandigheden, haar aldus ingenomen standpunt te moeten prijsgeven, dan meent hij, dat aan haar verantwoordelijkheid te moeten overlaten, zonder daarover thans een oordeel uit te spreken. De exploitatie van den spoorweg gaat uit van de directie, en de Regeering
is,
bij
alle
inmenging daarin, gehouden aan de bepalingen van de
wet en van de reglementen." De Regeering bepaalt er zich zij
acht
het
toe, zich
aan dat stuk
te
houden, en
harerzijds niet gewenscht, iets nader over het gesprokene
waarop anderszijds tegenspraak zou kunnen volgen, eene tegenspraak, die dan bijna niet voor oplossing vatbaar zou kunnen zijn. Ik kom thans tot den tweeden interpellant, die aan de Regeering in de eerste plaats de vraag heeft gesteld, wat de gronden waren, waarop de Regeering is overgegaan tot het oproepen van twee lichtingen. Zijns inziens bestond daartoe niet alleen geen aanleiding, maar hij meende zelfs, dat de Regeering daardoor, in plaats van de zaak te beteren, deze Op de Regeering, Mijnheer de Voorzitter, rust de heeft bedorven. plicht niet alleen, om de orde te herstellen, waar zij verstoord is, maar ook om de orde te handhaven, en om niet alleen de orde maar ook de rust te handhaven. Art. 110 van de Militie wet geeft dit met even Zoodra dus de Regeering harerzijds achtte, zoovele worden te lezen. voor de openbare orde en rust niet langer te kunnen instaan met de weinige troepen, die [onder de wapens waren, rustte op haar de plicht, onverwijld te zorgen, dat meerdere troepen onder de wapens kwamen. Om de Kamer wel te doen inzien, hoe snel in ons land daartoe moet worden overgegaan, zal ik mij veroorloven te wijzen niet op groote landen als Frankrijk en Duitschland, die hun staande legers bij honderdduizenden tellen, maar op het naburige België, waar twee steden zijn, Brussel en Antwerpen, die in bevolking samen ongeveer gelijkstaan met de bevolking van onze hoofdstad en onze residentie, en die, wat de onderlinge communicatie betreft, op ongeveer gelijken afstand van elkander verv/ijderd zijn. Welnu, in Brussel is een permanent garnizoen van 4000 man ruim, en in Antwerpen een van 6000 man, te zamen uitmakende 10,000 man, en wel in normale omstandigheden, wanneer er niets buitengewoons.
mede
te
deelen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's