Parlementaire redevoeringen - pagina 402
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1902—1903.
400 op
Gaat het echter aan, te ik heb één arts gesproken en die zeide, dat het geheel anders uitkomt? De waarheid laat ik in het midden, maar ik meen, dat men niet met twee maten moet meten en niet aan het getuigenis van één arts zooveel waarde moet toekennen, alsof dit ééne getuigenis dat van 7 artsen uit de betrokken streek kon verslaan. Hetzelfde geldt eenigszins van wat de geachte spreker zeide ten aanIk meen volstrekt niet, dat het Darwinisme zien van het Darwinisme. beroep
met een
zeggen:
eene
zulk
een
diep
arts
heb
Gorredijk
in
te
Gorredijk.
opgedaan,
ervaring
ik
wetenschappelijke materie
is,
dat
iemand van gewoon
verstand
en gewone ontwikkeling daarover niet kan medespreken.
acht
eene zeer eenvoudige zaak.
het
door
dat
daarover wat
mij
Maar de geachte spreker
luchtig
te
gesproken. Laat mij daarom zeggen dat
gekke van de zaak ? De
arts,
of eenigszins gekscherend
die het beweerde,
hem
gezondheidstoestand aan den IJsel
dat de
En om nu
toch vol
bevolking,
ging
geleden
hij
te
niet
Wat was
was het
wederspreken,
zeer was medegevallen.
houden, dat de toestand daar slecht niet zeggen, dat
is
voor de
de quaestie, die thans gesteld
betrekking heeft op het doode geslacht;
is,
kon
is.
zeggen, dat in vroegere geslachten het lijden daar
Men kan
was.
niet geschied
dit
Ik
zeide,
zij
betreft
de bescherming
van het levend geslacht, en dat was juist het dwaze van het argument. Wanneer dan ook de heer Van der Zwaag dergelijke dingen ridicuul acht, dan moet hij het ridicule zoeken waar het is en niet daar, waar het niet
is.
Door den geachten afgevaardigde van
Gorredijk,
levenlooze kinderen.
Wel
wil ik zeggen,
,over deze zaak verspreiden
licht
zoek getal
heb
in
te
ook gesproken, naar aanleiding
is
over het getuigenis der artsen over de geboorten van
stellen,
of in
—
,
—
dat ik
men moet
zooveel mogelijk
ook getracht heb een onder-
de plaatsen aan den Hollandschen IJsel het
levonloos geboren kinderen grooter was dan in het gemeen.
daaromtrent
gegevens gekregen, levenlooze kinderen
die
wel
eenigszins
in
Ik
dien zin
de Jaarcijfers opgegeven voor de wettige kinderen op 4,85 en voor de onwettige tusschen de 7 a 8 op de honderd. Maar het is mij gebleken, dat in Gouderak en enkele andere van die plaatsen die cijfers oploopen tot 9,26 en 8,64 en dus vrij luiden.
Het
hooger
veel
door
getal
gaan.
elkander.
Dat
Maar
het
zijn
was
staat in
namelijk
wettige en onwettige kinderen
mij onmogelijk, daaruit te concludeeren
van de besproken toestanden, omdat ik dan opgaven gehad moest hebben van kinderen, die geboren waren uit vrouwen, aan de fabrieken werkzaam, en daaromtrent konden de algemeene tot
het
slechte
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's