Parlementaire redevoeringen - pagina 37
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
DE ZUID-AFRIKAANSCHE OORLOG.
35
met de houding, destijds door haar voorsteller tegenover het toenmalig Kabinet aangenomen, niets uitstaande. Toch is de opmerking van andere leden
dat
juist,
afstemming
deze
in
der
motie
allerminst
Mede „namens
indemnity aan het Kabinet werd uitgereikt.
een
of
bill
zijne politieke
vrienden" had de heer Rink zich zakelijk in gelijken zin als het lid uit Sliedrecht uitgesproken, en verklaard, dat het stemmen tegen de motie zijnerzijds beheerscht
bladz.
de
618
v.v.)
der
uitsluiting
zich
in
werd door de dreigende
Van Roomsch-Katholieke
gelijken
beide geest
had
dr.
Schaepman, wat
Republieken van de Vredesconferentie betrof, doen hooren, en zijn stem tegen de motie in
hoofdzaak daardoor gemotiveerd, dat de
uitsluiting
van den Paus
nóch die van Financiën met de motie medegingen, vindt opmerking van dr. Schaepman voldoende verklaring.
Justitie,
De derde
niet
werd. Dat noch de tegenwoordige Minister van
gewraakt
tegelijkertijd
Kabinetscrisis. {Handelingen,
zijde
in
deze
Kuyper de Zuid-Afrikaansche Republieken
maal, dat dr.
te
berde bracht, was op 30 Maart 1900, toen de goedkeuring der verdragen,
van de Vredesconferentie uitgegaan, aan de orde was. Hij sprak en stemde toen tegen de goedkeuring dier verdragen, juist wijl de oorlog Zuid-Afrika nog hangende was, en dat wel, omdat onze zwakin heid
ons
noodzaakte,
„machtelooze
dien
bij
toeschouwers"
Juist het pijnlijke
om
te
oorlog, blijven
gelijk
hij
zich
{Handelingen,
eerst dit verdrag te sluiten, en
dan
uitdrukte,
bladz.
1368).
te
moeten
stil
zitten, bewoog hem. „Als één man hadden de mede-contractanten moeten spreken", en nu ze dit niet deden, „moest zelfs Nederland de bede om interventie", zoo liet hij zich uit, „wijzen van de hand" (bladz. 1369). De laatste maal besprak het lid uit Sliedrecht deze aangelegenheid op 4 December 1900, doch ook toen geenszins in een geest van dit geheel afgezien van eiken geest voorkomt, dat op het stuk van buitenlandsche zaken hier nooit partijschappen gelden, maar wij allen te zamen geroepen zijn, om als ééne ondeelbare vertegenwoordiging van het ééne Nederlandsche volk de Regeering te steunen" {Handelingen, bladz. 5\0). Tevens werd opzettelijk gewezen op de moeilijke positie van den
oppositie.
van
Hij zeide toch:
oppositie,
„homme en
omdat het
place"
en
„Ik doe
mij
erkend,
dat
deze zooveel minder
spreken was dan een Kamerlid {Ibidem).
De
vrij
in
zijn
zending van de Gelderland
werd met warmte toegejuicht, en voorts alleen geïnformeerd, niet of Nederland op eigen hand mediatie had aangeboden, maar of er ook pogingen waren aangewend, om tot interventie of arbitrage te geraken, wat niet anders kon beteekenen dan: in samenwerking met andere mogendheden. Dit laatste nu was, gelijk het vervolg zijner toen ge-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's