Parlementaire redevoeringen - pagina 554
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
ZITTING 1903—1904.
552
den heer Troelstra opgeworpen is, betreft Antwoord, waarin gesproken wordt over van Memorie de passage uit de Henri Polak. Wat de heer Troelstra daarvan gezegd heeft, neem ik gaarne aan, maar de zaak wordt er niet beter door. Wanneer het waar is, dat
Het
eerste punt, dat door
de voor
hem droeve
afloop van de gebeurtenissen in het voorjaar het
gevolg was van de slechte organisatie, dan volgt daaruit wel, dat op hem de verplichting rust, beter te organiseeren en zijn macht meer te
maar wanneer
versterken;
hij,
gedaan hebbende, dan ook meent,
dat
de Regeering sterk genoeg
tegenover
hem
dat de strafwetnovelle als zoodanig
zijn,
te
niet
volgt uit hetgeen ik zeg,
kan belemmeren
in
de vak-
de spoorwegstaking alleen uitgesloten, doch ook deze nog slechts voor een deel, want ik betwist, dat eene spoorwegstaking onmoZij zou wel op eene andere gelijk zou zijn door de strafwetnovelle. organisatie,
maar
wijze moeten toegaan,
zij
blijft
toch mogelijk.
tweede plaats ontmoette ik den geachten afgevaardigde, waar hij over het stuivertje wisselen van mevrouw Roland Holst. Zijn
In de
sprak
Het
rede sneed op dat punt geen hout.
Roland Holst het bedoelde gezegd
maar
autoriteit,
in beginsel cratie,
het
is
is
niet
heeft, alsof
de vraag, of door haar
de vraag, of
iets
de sociaal-democratie zou verloochenen.
hoezeer prijsstellend
op de
zedelijkheid een vloeiend goed
is,
mevrouw
voor mij zou
zij
is
de
zijn
uitgesproken, wat
Nu
de sociaal-demo-
zedelijkheid, nochtans leeraart, dat
eene gedurig wisselende hoegrootheid,
welke door de oeconomische omstandigheden van landen en tijden steeds verandert, ligt juist datgene wat mevrouw Roland Holst heeft uitgeden wortel en het beginsel zelf der sociaal-democratie. De geachte spreker heeft voorts de anti-revolutionairen aangevallen en heeft gezegd, dat de Christelijke ethiek twee kanten heeft, een, die
sproken,
in
•
het gezag mainteneert, en een, dien anti-revolutionaire partij
en den anderen keer
men
keert tegen den
zou den eenen keer
uit
uit
Mammon;
de
het eene vaatje tappenc
het andere, en in April
zou ze het alleen
uit
he
hebben gedaan. Ik merk hierbij op, dat aan de Christelijke ethiek den Heere ten grondslag liggen twee geboden. Het eerste is: „Gij zult verstand, uw geheel met hart, uw geheel uwen God liefhebben met
eerste
met al uw kracht. Dit is het eerste en het groot gebod". Dienovereenkomstig komen de anti-revolutionair en de Roomsch-Katholiek evenzeer op voor het gezag, omdat het gezag niet is eene menschelijke van vinding, niet iets, door menschelijke beschikking verkregen, maar menschelijke de door dat gezag, Gods is Het goddelijken oorsprong. En daarop volgt het tweede gebod, overheid wordt gehandhaafd. daaraan gelijk: „En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zuh uwen naaste
en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's