Parlementaire redevoeringen - pagina 43
Deel II. Ministrieele redevoeringen. Tweede Kamer.
OUDE PLUNJE. door te
al
mij
gesproken en op hetgeen
is
in
41
de stukken
staat,
antwoorden; maar het overige laat ik rusten. In de tweede plaats wensch ik ook af te snijden en hetgeen mijn geachte ambtgenooten raakt, die zelf in nu,
de
te
wensch
ik
laten rusten
en bereid
staat
hoofdstukken,
te antwoorden op hun gedaan. En evenzoo blijve buiten het debat wat men zou kunnen noemen: het eigenlijke theologische debat. Ik heb uit de historie van Cromwell zulk een doodelijken schrik ge-
zullen
zijn,
hetzij
hetzij
bij
vragen,
bepaalde
kregen voor een Barebone-parlement, dat het voor mij altijd blijft een wrak, dat dienst doet als een baken in zee. Waar andere heeren zich
op theologisch gebied begaven, wensch
ik er
dus het theologisch debat laten rusten.
Wel
daarom aan te herinneren, Het zou wel dat ik hier niet sta als theoloog, maar als bewindsman. een kolfje naar mijn hand zijn en ik zou het nog wel tegen de heeren durven opnemen, maar ik meen mijn roeping te moeten kennen en zal eigenlijke
leden
komen, eenige
rede
te
te
berde
zijn
gebracht,
en
details
die
zal ik,
alvorens
tot
mijne
bespreken, die door enkele
mijns
inziens kortelijk
kunnen
worden afgedaan. In de eerste plaats behoort daartoe de vraag, tot mij gericht door
afgevaardigde
geachten dat
er
een
samengesteld,
uit
Groningen, die zeide, vernomen
nieuw
Reglement
en
vraag
de
van
deed,
te
den
hebben,
Orde voor den Ministerraad was of
dat
reglement
in
publiek debat
mocht komen .... (De heer
Drucker
Wilde men het hier
Of
:
in
het publiek
domein mag worden!)
publiek debat doen komen, dan was daarvoor
domein werd. Daarop zij geantwoord, dat onzerzijds, nadat er eene wijziging in het Reglement van Orde voor den Ministerraad was tot stand gekomen, machtiging aan Hare
natuurlijk noodig, dat het publiek
Majesteit
Koningin
de
Voorzitters
der
zenden,
zulks
en
beide
is
gevraagd,
om
afschrift
daarvan
Kamers van de Staten-Generaal
te
aan
mogen
de toe-
doen onder de bijvoeging, dat tevens aan de vrijheid zou worden gegeven, dat Reglement mede te te
Voorzitters
de
deelen aan
de leden.
Het
kwam
mij voor, dat die stap noodzakelijk
bij de begrooting van ik meen 1892 het bestaande Reglement van Orde tot de kennis van de beide Kamers der StatenGeneraal was gebracht, ten einde de Kamers niet in de meening te laten, alsof datzelfde Reglement van Orde van vroeger nog onveranderd
was, nadat eenmaal,
voortbestond.
Die mededeeling geschiedde intusschen
in het
minst niet^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1908
Abraham Kuyper Collection | 686 Pagina's